Geschil8. In geschil is of de naheffingsaanslag 2012 en de naheffingsaanslag 2013-2016 (hierna samen: de naheffingsaanslagen) terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of (i) de naheffingsaanslagen binnen de termijn zijn opgelegd, (ii) sprake is van een doorlopende post of uitschot van belasting (artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet OB), (iii) diensten zijn verricht voor buitenlandse ondernemers en (iv) de diensten onder de vrijstelling zoals genoemd in artikel 11, eerste lid, onderdeel k, van de Wet OB vallen.
9. Eiser stelt zich – samengevat – op het standpunt dat de naheffingsaanslagen onterecht, dan wel naar te hoge bedragen, zijn opgelegd. Verweerder stelt zich – samengevat – op het standpunt dat de naheffingsaanslagen terecht en naar de juisten bedragen zijn opgelegd.
10. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.
Beoordeling van het geschil
Naheffingstermijn
11. Eiser betoogt dat de naheffingsaanslagen buiten de termijn zijn opgelegd.
12. Ingevolge artikel 20, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) vervalt de bevoegdheid tot naheffing door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan. Verweerder had daarom tot 31 december 2017 de tijd om een naheffingsaanslag omzetbelasting op te leggen over een tijdvak in het jaar 2012. De naheffingsaanslag 2012 heeft als dagtekening 27 december 2017. Voor wat betreft het jaar 2013 had verweerder tot 31 december 2018 de tijd om een naheffingsaanslag omzetbelasting op te leggen over een tijdvak in het jaar 2013. De naheffingsaanslag 2013-2016 heeft als dagtekening 29 mei 2018. Niet aannemelijk is dat de naheffingsaanslagen op een later tijdstip dan die van de dagtekening op voorgeschreven wijze zijn bekendgemaakt (vergelijk Hoge Raad 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:930). Daaruit volgt dat de naheffingsaanslagen tijdig zijn vastgesteld. 13. Voor zover eiser zich op het standpunt heeft gesteld dat de handelswijze van verweerder zo onaanvaardbaar en in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur is dat verweerder daarmee zijn bevoegdheid om zich op de vijfjaarstermijn te beroepen zou hebben verspeeld, deelt de rechtbank dat standpunt niet. In al hetgeen eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om tot het oordeel te komen dat het opleggen van de naheffingsaanslagen in strijd zou zijn met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.
Doorlopende post of uitschot van belasting?
14. Eiser heeft aangevoerd dat de RDW leges in rekening heeft gebracht voor het afmelden van kentekens bij de RDW, en dat hij deze kosten heeft doorberekend aan zijn klanten. Volgens eiser moeten deze doorberekende leges als doorlopende post of als uitschot van belasting worden aangemerkt en dus behoren ze niet tot de vergoeding voor zijn diensten (ingevolge artikel 8, vijfde lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet OB).
15. Onbestreden is dat eiser diensten heeft verricht onder bezwarende titel bestaande uit het afmelden van voertuigen bij de RDW. Het gaat erom of een deel van de door eiser in dat verband ontvangen bedragen niet tot de vergoeding voor die diensten kunnen worden gerekend. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn betoog dat sprake is van doorberekende leges die niet tot de vergoeding behoren, op de zitting bij de rechtbank drie facturen overgelegd: twee verkoopfacturen uit het jaar 2014 en één inkoopfactuur uit het jaar 2016. Op de verkoopfacturen wordt voor ‘Export afmeldkosten’ een bedrag van € 25 in rekening gebracht aan de afnemer en op de inkoopfactuur zijn door [bedrijf 3] in de periode augustus 2015 tot en met december 2016 bepaalde bedragen in rekening gebracht voor ‘Vrijwaren RDW leges ORB’, ‘Uitvoerverklaring RDW leges OREH’ en ‘Kentekencard RDW leges’. Verdere toelichting of onderbouwing heeft eiser niet gegeven. Op basis van het voorgaande en hetgeen eiser verder ter zitting naar voren heeft gebracht heeft eiser, tegenover de betwisting van verweerder, onvoldoende onderbouwd, laat staan aannemelijk gemaakt, dat en voor welk bedrag leges aan de RDW zijn betaald en dat en voor welk bedrag deze (gestelde) leges zijn doorberekend door eiser.
16. Het voorgaande betekent dat alle door eiser ontvangen bedragen voor de door hem verleende diensten bestaande uit het afmelden van kentekens bij de RDW, tot de vergoedingen behoren.
17. Voorts heeft eiser betoogd dat de plaats van de door hem verrichte diensten (het beëindigen van de registratie van het voertuig bij de RDW en het voorzien van het voertuig met een witte kentekenplaat) ‘in veel gevallen’ buiten Nederland is gelegen. Eiser heeft op de zitting ter ondersteuning van zijn betoog een Excel-bestand verstrekt waarin door eiser voor de periode oktober tot en met december 2016 is aangegeven aan welke afnemers diensten zijn verricht onder vermelding van datum, land en naam van de afnemer. Daarnaast is voor sommige afnemers een ‘NIP-nummer’ opgenomen. Volgens eiser volgt uit het Excel-bestand dat in de jaren 2012 tot en met 2016 jaarlijks 22% tot 34% van de diensten zijn verricht aan buitenlandse ondernemers.
18. Verweerder heeft betoogd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de afnemers van de prestaties ondernemers zijn die niet in Nederland zijn gevestigd. Verweerder is van mening dat dit uit het door eiser ter zitting verstrekte Excel-bestand niet kan worden afgeleid.
19. De rechtbank overweegt als volgt. Om de plaats van dienst te bepalen, is relevant wie de afnemer van de dienst is. Nu eiser slechts over een zeer korte periode (oktober tot en met december 2016) een Excel-bestand heeft overgelegd met vermelding van de datum, land en naam van sommige van de afnemers, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid of diensten zijn verricht aan ondernemers, laat staan buitenlandse ondernemers. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met hetgeen hij ter zitting heeft aangevoerd en hetgeen hiervoor opgenomen onder 17, tegenover de betwisting van verweerder, onvoldoende onderbouwd, laat staan aannemelijk gemaakt, dat diensten zijn verricht aan (buitenlandse) ondernemers.
Zijn de diensten vrijgesteld?
20. Eiser heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de diensten bestaande uit het beëindigen van de registratie van het voertuig bij de RDW en het voorzien van het voertuig met een witte kentekenplaat zijn vrijgesteld op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel k, van de Wet OB.
21. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de door eiser geleverde prestaties zijn belast tegen het algemene tarief. Het beëindigen van de registratie van een voertuig bij de RDW en het voorzien van een voertuig met een witte kentekenplaat kunnen niet worden aangemerkt als een verzekeringsdienst in de zin van artikel 11, eerste lid, onderdeel k, van de Wet OB.
22. De rechtbank overweegt dat door eiser geen feiten en omstandigheden aannemelijk zijn gemaakt waaruit volgt dat sprake is van een vrijgestelde prestatie in de zin van laatstgenoemd artikellid. Evenmin zijn feiten gesteld waaruit volgt dat sprake is van een met de verkoop van verzekeringen samenhangende dienst. De rechtbank volgt eiser daarom niet in zijn betoog dat sprake is van vrijgestelde diensten in de zin van artikel 11, eerste lid, onderdeel k, van de Wet OB.
Schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur
23. Voor zover eiser zich op het standpunt heeft gesteld dat (bepaalde) algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden, heeft eiser zijn standpunt niet onderbouwd. Reeds daarom slaagt het standpunt van eiser niet.
24. Aan eiser is op grond van artikel 67f van de AWR een vergrijpboete opgelegd. In bezwaar is de boete verlaagd en vastgesteld op een bedrag van € 500.
25. Tegen de boete heeft eiser geen zelfstandige gronden aangevoerd. Ambtshalve constateert de rechtbank evenwel dat de redelijke termijn voor de berechting in eerste aanleg van de boete van in beginsel twee jaar met afgerond 25 maanden is overschreden (de boete is aangekondigd in het rapport van het boekenonderzoek van 12 april 2018). Daarom zal de rechtbank het bedrag van de boete (€ 500) met twintig percent matigen tot € 400 (vergelijk Hof Amsterdam 2 juli 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1298). 26. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.
27. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.