ECLI:NL:RBNHO:2022:6306
Rechtbank Noord-Holland
- Rekestprocedure
- Rechtspraak.nl
Bezwaarschrift gegrond tegen DNA-afname bij veroordeelde valsheid in geschrift
De rechtbank Noord-Holland behandelde een bezwaarschrift van een veroordeelde die zich verzette tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel op grond van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. De veroordeelde was veroordeeld voor het opzettelijk gebruik van een vals identiteitsbewijs en had inmiddels een geldig Nederlands rijbewijs. Het bezwaar werd ingediend omdat het DNA-onderzoek naar het oordeel van de veroordeelde niet van belang is voor opsporing, mede gezien het geringe belang van DNA bij valsheidsdelicten.
De officier van justitie stelde dat het DNA-onderzoek wel degelijk relevant kan zijn voor opsporing van soortgelijke feiten. De rechtbank oordeelde echter dat DNA-onderzoek bij valsheidsdelicten zoals artikel 231 Sr Pro een zeer geringe rol speelt en dat de uitzonderingsgrond van artikel 2, eerste lid onder b, Wet DNA zich in deze zaak voordoet.
Gezien het ontbreken van recidivegevaar en de aard van het misdrijf, verklaarde de rechtbank het bezwaar gegrond en beval de vernietiging van het afgenomen celmateriaal. De beslissing werd op 18 juli 2022 in het openbaar uitgesproken door rechter S. Jongeling.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel is gegrond verklaard en het afgenomen celmateriaal wordt vernietigd.