ECLI:NL:RBNHO:2022:8872

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
5 oktober 2022
Publicatiedatum
6 oktober 2022
Zaaknummer
9987241
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verstek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230g lid 1 sub e BWArt. 6:230m lid 1 BWArt. 6:230v BWArt. 111 lid 2 onder d RvArt. 21 Rv
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens onvoldoende stelplicht en onduidelijkheid over afstandsovereenkomst

De zaak betreft een civiele procedure tussen Stichting ROC Midden Nederland (Business & Administration College) als eisende partij en een gedaagde die niet is verschenen. De eisende partij vordert betaling op grond van een overeenkomst die zij stelt te zijn aangegaan met de gedaagde. De kantonrechter verleent verstek tegen de gedaagde.

De vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar en een consument, waarbij de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten uit Boek 6, titel 5, afdeling 2B BW van toepassing zijn. De eisende partij heeft niet duidelijk gesteld hoe de overeenkomst tot stand is gekomen, noch voldoende onderbouwd dat aan deze informatieplichten is voldaan. Hoewel schriftelijke overeenkomsten uit 2018, 2019 en 2021 zijn overgelegd, zijn deze met een natte handtekening ondertekend, waardoor twijfel bestaat of het om een overeenkomst op afstand gaat.

De eisende partij heeft nagelaten een gedetailleerde toelichting te geven op het aanmeldproces en heeft slechts in algemene termen gesteld dat aan de wettelijke eisen is voldaan, zonder concrete verwijzingen naar stukken of schermafdrukken. Dit leidt ertoe dat de kantonrechter niet kan vaststellen dat aan de stelplicht is voldaan.

Op grond van artikel 111 lid 2 onder Pro d Rv en artikel 21 Rv Pro moet de eisende partij de eis en de gronden daarvan volledig en naar waarheid stellen. Dit is niet gebeurd, waardoor de vordering wordt afgewezen. De eisende partij krijgt geen gelegenheid tot nadere toelichting. De proceskosten worden aan de eisende partij opgelegd.

Uitkomst: De vordering wordt afgewezen wegens onvoldoende stelling en onderbouwing door de eisende partij.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 9987241 \ CV EXPL 22-4103
Uitspraakdatum: 5 oktober 2022
Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de stichting
Stichting ROC Midden Nederland (Business & Administration College)
gevestigd te Utrecht
de eisende partij
gemachtigde: DKV Deurwaarderskantoor Visser
tegen
[gedaagde]
wonende te [woonplaats]
de gedaagde partij
niet verschenen

1.Het procesverloop

1.1.
De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard. Tegen de gedaagde partij is verstek verleend.

2.De beoordeling

2.1.
De vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet ter bescherming van de consument aan de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten van Boek 6, titel 5, afdeling 2B van het Burgerlijk Wetboek (BW) worden voldaan. Dat aan deze plichten is voldaan, moet gemotiveerd worden gesteld en onderbouwd. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd. Zie, onder meer, het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1677).
2.2.
De eisende partij heeft niet gesteld hoe de overeenkomst tot stand is gekomen, maar wel dat is voldaan aan alle essentiële informatieplichten en voorschriften zoals opgenomen in artikel 6:230m lid 1 en 6:230v BW. De kantonrechter begrijpt daaruit dat de eisende partij meent dat de overeenkomst kwalificeert als een overeenkomst op afstand in de zin van artikel 6:230g lid 1 sub e BW. Dat betekent dat moet worden voldaan aan de bepalingen van artikel 6:230m lid 1 en artikel 6:230v BW.
2.3.
Nog daargelaten dat niet duidelijk is welke overeenkomst de eisende partij aan de vordering ten grondslag legt, er zijn schriftelijke overeenkomsten overgelegd uit 2018, 2019 en 2021, geldt dat deze overeenkomsten zijn ondertekend met een natte handtekening. Dat roept de vraag op in hoeverre deze overeenkomsten op afstand tot stand zijn gekomen. De eisende partij heeft dat niet voldoende toegelicht. Als moet worden uitgegaan van een overeenkomst die op afstand tot stand is gekomen, heeft de eisende partij bovendien niet voldoende gesteld en onderbouwd dat zij heeft voldaan aan de op haar rustende (pre)contractuele informatieplichten. De eisende partij heeft nagelaten een met schermafdrukken onderbouwde toelichting op het aanmeldproces te overleggen. Zij heeft slechts in zijn algemeenheid gesteld dat is voldaan aan artikel 6:230m lid 1 BW en daarbij verwezen naar de bijgevoegde ‘noodzakelijke stukken’. De eisende partij heeft echter niet toegelicht om welke stukken het gaat. Ook heeft zij nagelaten om concreet aan te geven welke informatie daarin te vinden is. Het is echter niet aan de kantonrechter om eigenhandig op te zoek te gaan naar informatie in het dossier.
Wat is hiervan het gevolg?
2.4.
Op grond van artikel 111 lid 2 onder Pro d Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moet de dagvaarding de eis en de gronden daarvan vermelden en op grond van artikel 21 Rv Pro moet de eisende partij de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aanvoeren.
2.5.
De eisende partij heeft niet aan deze eisen voldaan. Daarom wordt de vordering afgewezen. Gelet op artikel 3.5 van het Landelijk procesreglement voor rolzaken kanton wordt de eisende partij niet meer in de gelegenheid gesteld om haar vordering alsnog nader toe te lichten en te onderbouwen.
2.6.
De proceskosten komen voor rekening van de eisende partij, omdat zij ongelijk krijgt. Deze worden aan de kant van de gedaagde partij tot en met vandaag vastgesteld op nihil.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst de vordering af;
3.2.
veroordeelt de eisende partij tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de gedaagde partij worden vastgesteld op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Kruithof en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter