ECLI:NL:RBNHO:2023:454
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waardevaststelling en vergoeding immateriële schade wegens termijnoverschrijding
Eiser is eigenaar van een woning waarvan de waarde per 1 januari 2019 door verweerder is vastgesteld op €300.000, wat leidde tot een aanslag onroerendezaakbelasting. Eiser maakte bezwaar tegen deze waardering, dat door verweerder werd afgewezen. Vervolgens stelde eiser beroep in bij de rechtbank.
De rechtbank beoordeelde of de waarde van de woning te hoog was vastgesteld. Verweerder onderbouwde zijn standpunt met een taxatierapport waarin de woning werd getaxeerd op €338.000, gebaseerd op vergelijkingsobjecten van soortgelijke drive-in-woningen. Eiser voerde onder meer aan dat voorzieningen van een vergelijkingsobject ten onrechte als matig waren gekwalificeerd en dat de kubieke-meterprijs niet correct was berekend.
De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld. De beroepsgronden van eiser faalden. Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de procedure was overschreden met ongeveer tien maanden, waarvoor een vergoeding van immateriële schade van €1.000 werd toegekend, te betalen voor de helft door verweerder en voor de helft door de Staat.
De rechtbank veroordeelde verweerder en de Staat tot betaling van deze vergoeding, die rechtstreeks aan eiser moet worden uitbetaald, ongeacht afspraken tussen eiser en zijn gemachtigde. Tevens werden proceskosten en griffierechten toegekend aan eiser. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waardevaststelling wordt ongegrond verklaard en verweerder en de Staat worden veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade en proceskosten aan eiser.