Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juni 2023 in de zaken tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Amsterdam , verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
€ 177.375+
€ 9.542 +
€ 8.709. De inkomstenbelasting box 3 bedraagt dan 30% van € 8.709 = € 2.612.
€ 121.734 +
van € 10.399 = € 3.119.
€ 7.196 +
€ 6.589. De inkomstenbelasting box 3 bedraagt dan 30% van € 6.589 = € 1.976.
Geschil12.In geschil is of de belastingheffing over het box 3 vermogen, zoals deze bij de verminderingen is vastgesteld, te hoog is.
€ 142.866 in plaats van € 124.812) en dat het bedrag aan overig vermogen van de aanslag correct is (na de vrijstelling € 177.375). Een berekening overeenkomstig de Wet rechtsherstel box 3 met het werkelijke vermogen komt dan nadeliger voor eiser uit dan waar verweerder bij de vermindering van is uitgegaan. Dit is dus geen aanleiding voor een verdere vermindering voor het jaar 2018.
bezittingen =) € 6.710. De forfaitaire berekening komt uit op (€ 149 op banksaldi + € 9.542 op overige bezittingen =) € 9.691. Tussen het werkelijke directe inkomen en het forfaitaire inkomen voor 2018 bestaat dus een verschil van € 2.981.
bezittingen =) € 3.129. De forfaitaire berekening zoals hierboven gedaan op basis van het werkelijke vermogen, komt uit op (€ 140 op banksaldi + € 7.196 op overige bezittingen =)
€ 7.336. Tussen het werkelijke directe inkomen en het forfaitaire inkomen voor 2019 bestaat dus een verschil van € 4.207.
Uit deze cijfers volgt dat er een significante afwijking bestaat tussen het werkelijk (direct) genoten inkomen en het forfaitaire inkomen en dat dit voor het overgrote deel wordt veroorzaakt door het hoge rendementspercentage van meer dan 5% voor overige bezittingen. Met het rechtsherstel is weliswaar een deel van de ficties vervallen (de veronderstelde vermogensmix) en is de heffing daarmee reëler geworden, maar het uitgangspunt van de wetgever dat mensen met wel en niet risicovolle beleggingen een gemiddeld rendement van 5,38% in 2018, respectievelijk 5,59% in 2019, zouden kunnen behalen, is blijven bestaan. Zoals de gegevens van eiser laten zien, zijn deze veronderstelde rendementen in meer dan significante mate niet door hem behaald. In het geval van eiser acht de rechtbank het geboden rechtsherstel dan ook onvoldoende. Bij eiser zou bij de huidige heffing overeenkomstig de Wet rechtsherstel box 3 nog steeds sprake zijn van buitenproportionaliteit in de zin van artikel 1 Eerste Pro Protocol bij het EVRM in samenhang met artikel 14 EVRM Pro. Een dergelijke buitenproportionele heffing kan de wetgever in alle redelijkheid niet op het oog hebben gehad.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar;
- vermindert de aanslag IB/PVV 2018 tot een aanslag berekend naar een inkomen uit sparen en beleggen van € 6.710, onder handhaving van de overige elementen van de aanslag;
- vermindert de aanslag IB/PVV 2019 tot een aanslag berekend naar een inkomen uit sparen en beleggen van € 3.129, onder handhaving van de overige elementen van de aanslag, en
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 49 aan eiser te vergoeden.
mr. N.G.U. Wasch, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2023.