ECLI:NL:RBNHO:2023:6614
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen WOZ-waarde woning en afwijzing immateriële schadevergoeding
Eiser betwist de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning op 1 januari 2020 en stelt dat de waarde te hoog is vastgesteld. Hij voert onder meer aan dat verweerder niet heeft voldaan aan informatieverplichtingen en dat een factor in de waardering onjuist is toegepast. Verweerder heeft de waardeopbouw toegelicht en de vergelijkingsobjecten onderbouwd.
De rechtbank oordeelt dat verweerder heeft voldaan aan zijn informatieplicht op grond van artikel 40 Wet Pro WOZ en dat de vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De waardering is zorgvuldig uitgevoerd en de factor voorzieningen bij een referentieobject is terecht op 2 gesteld in plaats van 3. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Eiser verzoekt tevens om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt vast dat de procedure 29 maanden duurde, wat 5 maanden langer is dan de redelijke termijn van 2 jaar. Echter, het financieel belang bedraagt niet meer dan € 15, waardoor geen sprake is van veronderstelde spanning en frustratie. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen.
De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de vastgestelde WOZ-waarde. Tevens wordt het verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.