Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 september 2023 in de zaken tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Almere, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Het betoog van eiser komt erop neer dat verweerder al eerder dan de RIEC-melding van 26 september 2016 wist of had moeten weten dat de aangiften van eiser onjuist waren. Reeds vanaf 2010 liepen er van overheidswege onderzoeken naar eiser, zo stelt hij. Verweerder beschikt daarom volgens eiser niet over een nieuw feit voor de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2013 en mocht daarom geen navorderingsaanslag opleggen. Verweerder stelt dat de aangifte IB/PVV 2013 van eiser op zichzelf beschouwd geen reden gaf om aan de juistheid daarvan te twijfelen, dat hij ten tijde van de aangifte niet wist van antecedenten bij eiser, dat geen sprake is van enig ambtelijk verzuim en dat hij beschikte over een nieuw feit om na te vorderen.
Beslissing
- vernietigt de uitspraken op bezwaar in deze zaken;
- bepaalt dat de (navorderings)aanslagen IB/PVV en de daarmee samenhangende belastingrentebeschikkingen in stand blijven;
- vernietigt de boetebeschikkingen;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;
- verklaart de beroepen inzake de ZVW met zaaknummer HAA 22/2845 ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade van eiser tot een bedrag van € 917;
- veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van immateriële schade van eiser tot een bedrag van € 83;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.266, en
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50 aan eiser te vergoeden.