In deze zaak stond centraal of tussen partijen een opdrachtovereenkomst of een arbeidsovereenkomst bestond. De kantonrechter stelde vast dat vanaf 4 april 2023 sprake was van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Dit werd onder meer gebaseerd op de feitelijke arbeidsrelatie, de gezagsverhouding en de wijze van loonbetaling.
De opzegging van de arbeidsovereenkomst door de verwerende partij werd vernietigd omdat de verzoeker op het moment van opzegging arbeidsongeschikt was wegens ziekte, waardoor een opzegverbod van toepassing was. De kantonrechter wees ook de loonvordering toe vanaf 1 juli 2024, inclusief een gematigde wettelijke verhoging en wettelijke rente.
Daarnaast werd de verwerende partij veroordeeld om de verzoeker toe te laten tot re-integratiewerkzaamheden en om binnen een maand na betekening de jaaropgave en correcte loonstroken te verstrekken. De proceskosten werden aan de zijde van de verzoeker toegewezen. De kantonrechter zag geen reden om dwangsommen op te leggen, uitgaande van goed overleg tussen partijen.