ECLI:NL:RBNHO:2024:2719

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
20 maart 2024
Publicatiedatum
18 maart 2024
Zaaknummer
10912063 \ CV EXPL 24-361
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Richtlijn 93/13/EEGArt. 6:233 BWArt. 6:44 BWArt. 6:96 BWArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toetsing huurovereenkomst en algemene voorwaarden op oneerlijke bedingen in huurzaak

In deze zaak vordert Stichting Wooncompagnie betaling van huurachterstand, incassokosten, wettelijke rente en proceskosten van de gedaagde partij. De gedaagde partij is verstek verklaard. De kantonrechter toetst ambtshalve de algemene voorwaarden van de huurovereenkomst op oneerlijke bedingen conform artikel 3 van Pro Richtlijn 93/13/EEG en artikel 6:233 BW Pro.

De huurprijswijzigingsbedingen in de huurovereenkomst en algemene voorwaarden worden als niet oneerlijk beoordeeld omdat zij verwijzen naar wettelijke regels. Het buitengerechtelijke incassokostenbeding in artikel 2.4 van de huurovereenkomst wordt vermoed oneerlijk te zijn, omdat het de verhuurder de vrije hand geeft om ongespecificeerde en mogelijk hoge incassokosten en administratiekosten in rekening te brengen, wat afwijkt van de wettelijke regeling.

Het servicekostenbeding wordt niet als oneerlijk aangemerkt. De kantonrechter is voornemens het incassokostenbeding te vernietigen en geeft de eisende partij de gelegenheid zich hierover uit te laten. De beslissing over de huurachterstand wordt aangehouden vanwege deelbetalingen en onzekerheid over de kosten. De zaak wordt verwezen naar de rol van 17 april 2024 voor nadere behandeling.

Uitkomst: Beslissing over huurachterstand en incassokosten aangehouden; eisende partij krijgt gelegenheid zich uit te laten over vermoedelijk oneerlijk incassokostenbeding.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknr./rolnr.: 10912063 \ CV EXPL 24-361
Uitspraakdatum: 20 maart 2024
Tussenvonnis in de zaak van:
de stichting
Stichting Wooncompagnie, h.o.d.n. Bouwcompagnie, Wooncompagnie en Blokcompagnie
gevestigd te Hoorn NH
de eisende partij
gemachtigde: L.V. Snijder
tegen
[gedaagde]
wonende te [plaats]
de gedaagde partij
niet verschenen

1.De procedure

1.1.
De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard. Tegen de gedaagde partij is verstek verleend.

2.De vordering

2.1.
De eisende partij vordert veroordeling van de gedaagde partij tot betaling van de huurachterstand, vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten, de wettelijke rente en de proceskosten.
2.2.
De eisende partij legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat de gedaagde partij tekortschiet in de nakoming van de huurovereenkomst.

3.De beoordeling

Ambtshalve toetsing van:Huurovereenkomst voor een zelfstandige woonruimteenAlgemene Huurvoorwaarden Zelfstandige woonruimte van 1 oktober 2005
3.1.
Voordat de kantonrechter een eindoordeel over de vordering kan geven, moet de kantonrechter eerst ambtshalve beoordelen of de eisende partij algemene voorwaarden hanteert en zo ja, of daarin geen bedingen zijn opgenomen die oneerlijk zijn ten opzichte van een consument, in de zin van artikel 3 van Pro de Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn), omdat dit gevolgen kan hebben voor (de hoogte van) de vordering. Dit artikel is in het Nederlandse recht tot uitdrukking gebracht in artikel 6:233 onder Pro a van het Burgerlijk Wetboek (BW), waarin kort gezegd is bepaald dat een beding dat onredelijk bezwarend is, vernietigbaar is.
3.2.
De kantonrechter moet in dit verband beoordelen of bedingen, waaraan een consument gebonden is zonder dat daarover afzonderlijk is onderhandeld, in strijd met de goede trouw het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoren. In dat geval moet de kantonrechter daar consequenties aan verbinden, met de bedoeling dat de consument erop kan vertrouwen dat de ‘kleine lettertjes’ niet oneerlijk voor hem uitpakken – en dat hij wordt beschermd als hij zijn handtekening heeft gezet onder een overeenkomst waarin oneerlijke bedingen blijken te zijn opgenomen.
3.3.
De kantonrechter voegt hier nog aan toe dat het gaat om een beoordeling van de bedongen afspraken, die de rechten en plichten van partijen over en weer vastleggen en waar de consument door het sluiten van de overeenkomst contractueel aan kan worden gehouden. Of de eisende partij de consument ook daadwerkelijk aan die afspraken houdt, of in de praktijk alleen naleving van wettelijke bepalingen verlangt, is in dit verband niet relevant. De omstandigheid dat een eisende partij alleen een beroep doet op wettelijke bepalingen ontslaat de kantonrechter namelijk niet van de verplichting om ambtshalve te toetsen. In dat laatste geval heeft de eisende partij ook geen recht op de gevorderde wettelijke vergoeding. [1] Dat geldt voor de gevorderde hoofdsom, maar ook voor bijkomende vorderingen, zoals de gevorderde vergoedingen voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten of rente.
3.4.
Samenvattend moet de kantonrechter in iedere procedure over ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet eerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak niet eerlijk is, moet het beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen (ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak).
Huurprijswijzigingsbeding
3.5.
In een voetnoot bij artikel 2.2 in de huurovereenkomst en in artikel 4.1 van de algemene huurvoorwaarden staan huurprijswijzigingsbedingen. Omdat in beide bedingen wordt verwezen naar de wettelijke regels omtrent het wijzigen van de huurprijs, is de kantonrechter van oordeel dat deze bepalingen als niet oneerlijk kunnen worden beschouwd.
Buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten
3.6.
De kantonrechter stelt vast dat artikel 2.4 van de huurovereenkomst kwalificeert als een algemene voorwaarde. Dit artikel luidt als volgt:

Alle ter uitvoering van deze overeenkomst gemaakte of te maken kosten waaronder begrepen administratiekosten, alsmede alle gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten die verhuurder maakt in geval van niet nakoming van enige bepaling van deze overeenkomst zijn voor rekening van huurder, met uitzondering van de ingevolge rechterlijke beslissing door verhuurder te betalen proceskosten.
3.7.
De kantonrechter is van oordeel dat artikel 2.4 van de huurovereenkomst als oneerlijk moet worden aangemerkt, omdat het ten nadele van de consument afwijkt van de wettelijke regeling over buitengerechtelijke incassokosten en contractuele afwijking van dwingendrechtelijke bepalingen oneerlijk is. [2] De eisende partij heeft op grond van artikel 2.4 van de huurovereenkomst namelijk de vrije hand in het ongelimiteerd in rekening brengen van een bedrag aan incassokosten. De bedongen kosten zijn niet gespecificeerd. Daarnaast kan de eisende partij op grond van dit artikel ook nog administratiekosten in rekening brengen. Dat zou dus tot gevolg kunnen hebben dat de consument op grond van het artikel belast wordt met hoge kosten, die normaal gesproken niet ten laste van de consument behoren te komen. Dit terwijl de consument in de wettelijke regeling [3] uitsluitend gemaximeerde buitengerechtelijke kosten is verschuldigd, mits is voldaan aan het bepaalde in artikel 6:96 lid 6 BW Pro, waarbij de aanmaning als bedoeld in dat artikellid moet voldoen aan de door de Hoge Raad in zijn arrest van 25 november 2016 [4] gestelde eisen. De voorwaarde heeft aldus een aanzienlijk bredere strekking dan wat aan de consument op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten in rekening mag worden gebracht.
3.8.
Voor zover de eisende partij op grond van dit artikel 2.4 aanspraak kan maken op gerechtelijke kosten die boven het liquidatietarief uitkomen, is dit oneerlijk. Dit heeft geen gevolg voor de proceskostenveroordeling in deze procedure, omdat de (kanton)rechter op grond van artikel 237 in Pro samenhang met artikel 242 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ertoe gehouden is om de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te veroordelen en deze proceskosten niet lager mogen worden vastgesteld dan het liquidatietarief.
Servicekostenbeding
3.9.
Artikel 4 lid 2 tot Pro en met 5 van de algemene huurvoorwaarden betreft een servicekostenbeding. De kantonrechter heeft dit beding getoetst en niet oneerlijk bevonden.
Gevolgen van deze toetsing
3.10.
De kantonrechter is voornemens artikel 2.4 van de huurovereenkomst betreffende de administratieve en buitengerechtelijke incassokosten te vernietigen. De eisende partij krijgt de gelegenheid om zich hierover uit te laten.
Huurachterstand
3.11.
De gedaagde partij moet de huurachterstand betalen. De beslissing hierover wordt echter aangehouden, omdat de gedaagde partij deelbetalingen heeft gedaan en deze op grond van artikel 6:44 BW Pro eerst in mindering strekken op de kosten en de verschuldigdheid hiervan nog niet vaststaat gelet op het voorgaande, zodat ook de hoogte van de huurachterstand nog niet kan worden vastgesteld.
Conclusie
3.12.
De eisende partij wordt in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het voorshands uitgesproken oordeel omtrent de oneerlijkheid van het hiervoor genoemde beding en de gevolgen daarvan.
3.13.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
verwijst de zaak naar de rol van
17 april 2024om de eisende partij in de gelegenheid te stellen zich bij akte uit te laten over het voorshands uitgesproken oordeel zoals hiervoor is overwogen;
4.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Kruithof en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter

Voetnoten

1.Dat volgt uit arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 27 januari 2021 (ECLI:EU:C:2021:68) en 8 december 2022 (ECLI:EU:C:2022:971).
2.Hoge Raad 10 februari 2023 (ECLI:NL:HR:2023:198, r.o. 3.8.4)
3.Zie het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten
4.Hoge Raad 25 november 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2704)