ECLI:NL:RBNHO:2024:3402

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
11 april 2024
Publicatiedatum
8 april 2024
Zaaknummer
10915393 \ CV EXPL 24-260
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Richtlijn 93/13/EEGArt. 6:233 BWArt. 6:119 BWArt. 6:96 lid 6 BWArt. 237 Rv
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verstekvonnis huurachterstand en toetsing oneerlijke bedingen in sociale huurovereenkomst

De stichting Intermaris heeft de gedaagde partij gedagvaard wegens huurachterstand. De gedaagde is niet verschenen, waarna verstek is verleend. De kantonrechter beoordeelde ambtshalve de algemene voorwaarden van de huurovereenkomst op oneerlijke bedingen conform artikel 6:233 BW Pro en de Richtlijn 93/13/EEG.

De huurprijswijzigings- en servicekostenbedingen zijn niet oneerlijk bevonden omdat zij verwijzen naar wettelijke regels en alleen werkelijke kosten in rekening brengen. Echter, het rentebeding in combinatie met het boetebeding is oneerlijk omdat het leidt tot cumulatie van wettelijke rente en boetes, wat de huurder onredelijk belast. Ook de incassokostenbedingen zijn oneerlijk omdat zij de verhuurder de vrije hand geven in het bepalen van incassokosten, wat in strijd is met wettelijke beperkingen.

De artikelen 7.3 en 17.2 van de algemene voorwaarden worden vernietigd, waardoor de gevorderde rente en incassokosten worden afgewezen. Het proceskostenbeding is eveneens oneerlijk, maar dit heeft geen gevolgen voor de proceskostenveroordeling vanwege wettelijke bepalingen. De huurachterstand van €431,70 wordt toegewezen en de gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten.

Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en is gewezen door kantonrechter M.M. Kruithof op 11 april 2024.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €431,70 huurachterstand en proceskosten, met vernietiging van oneerlijke incasso- en boetebedingen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind
locatie Zaanstad
Zaaknr./rolnr.: 10915393 CV EXPL 24-260
Uitspraakdatum: 11 april 2024
Verstekvonnis in de zaak van:
de stichting Stichting Intermaris
te Hoorn
de eisende partij
gemachtigde: L.V. Snijder
tegen
[gedaagde]
te [plaats]
de gedaagde partij
niet verschenen

1.De procedure

1.1.
De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard. Tegen de gedaagde partij is verstek verleend.

2.De vordering

2.1.
De eisende partij vordert – samengevat –veroordeling van de gedaagde partij tot betaling van de huurachterstand, vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten, de wettelijke rente en de proceskosten.
2.2.
De eisende partij legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat de gedaagde partij tekortschiet in de nakoming van de huurovereenkomst.

3.De beoordeling

Ambtshalve toetsing van: deHuurovereenkomsten deAlgemene Huurvoorwaarden zelfstandige woonruimte maart 2017
3.1.
Voordat de kantonrechter een eindoordeel over de vordering kan geven, moet de kantonrechter eerst ambtshalve beoordelen of op de overeenkomst met de gedaagde partij algemene voorwaarden van toepassing zijn en zo ja, of daarin geen bedingen zijn opgenomen die oneerlijk zijn ten opzichte van een consument, in de zin van artikel 3 van Pro de
Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn), omdat dit gevolgen kan hebben voor (de hoogte van) de vordering. Dit artikel is in het Nederlandse recht tot uitdrukking gebracht in artikel 6:233 onder Pro a van het Burgerlijk Wetboek (BW), waarin kort gezegd is bepaald dat een beding dat onredelijk bezwarend is, vernietigbaar is.
3.2.
De kantonrechter moet in dit verband beoordelen of bedingen, waaraan een consument gebonden is zonder dat daarover afzonderlijk is onderhandeld, in strijd met de goede trouw het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoren. In dat geval moet de kantonrechter daar consequenties aan verbinden, met de bedoeling dat de consument erop kan vertrouwen dat de ‘kleine lettertjes’ niet oneerlijk voor hem uitpakken – en dat hij wordt beschermd als hij zijn handtekening heeft gezet onder een overeenkomst waarin oneerlijke bedingen blijken te zijn opgenomen.
3.3.
De kantonrechter voegt hier nog aan toe dat het gaat om een beoordeling van de bedongen afspraken, die de rechten en plichten van partijen over en weer vastleggen en waar de consument door het sluiten van de overeenkomst contractueel aan kan worden gehouden. Of de eisende partij de consument ook daadwerkelijk aan die afspraken houdt, of in de praktijk alleen naleving van wettelijke bepalingen verlangt, is in dit verband niet relevant. De omstandigheid dat een eisende partij alleen een beroep doet op wettelijke bepalingen ontslaat de kantonrechter namelijk niet van de verplichting om ambtshalve te toetsen. In dat laatste geval heeft de eisende partij ook geen recht op de gevorderde wettelijke vergoeding. [1] Dat geldt voor de gevorderde hoofdsom, maar ook voor bijkomende vorderingen, zoals de gevorderde vergoedingen voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten of rente.
3.4.
Samenvattend moet de kantonrechter in iedere procedure over ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet eerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak niet eerlijk is, moet het beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen (ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak).
Huurprijswijzigingsbeding
3.5.
In de toelichting op de huurspecificatie in de huurovereenkomst en in artikel 4.1 van de algemene voorwaarden staan huurprijswijzigingsbedingen. Omdat beide bedingen verwijzen naar de wettelijke regels omtrent het wijzigen van de huurprijs, is de kantonrechter van oordeel dat voornoemde bedingen als niet oneerlijk kunnen worden beschouwd.
Servicekostenbeding
3.6.
Artikel 5 van Pro de algemene voorwaarden betreft een servicekostenbeding. Omdat de eisende partij op grond van het beding slechts de werkelijke servicekosten in rekening kan brengen, is de kantonrechter van oordeel dat voornoemd artikel niet als oneerlijk kan worden beschouwd.
Buitengerechtelijke incassokosten en rente
3.7.
In de algemene voorwaarden zijn verder onder meer de volgende bepalingen opgenomen:
Artikel 7.3: ‘
Als huurder, te laat of zelfs helemaal niet betaald heeft, is hij zonder ingebrekestelling vanaf de vervaldag wettelijke rente verschuldigd. Tevens is verhuurder gerechtigd zijn invorderingskosten aan huurder in rekening te brengen, met een minimum van € 25,- (ex. BTW) per gebeurtenis.
Artikel 17.2: ‘
Wanneer de huurder zijn verplichtingen op grond van de wet en/of de huurovereenkomst niet nakomt, als gevolg waarvan de verhuurder genoodzaakt is gerechtelijke en/of buitengerechtelijke maatregelen te treffen, komen de kosten van deze maatregelen voor rekening van huurder. Met betrekking tot de gerechtelijke kosten gaat het om de werkelijk door verhuurder gemaakte kosten in verband met het inschakelen van bijvoorbeeld een deurwaarder, een advocaat, een andere rechtshulpverlener of een andere deskundige. De gerechtelijke kosten zijn dus niet beperkt tot het bedrag dat op grond van het zogenaamde liquidatietarief door de rechter wordt bepaald.
Artikel 17.3: ‘
Indien een van beide partijen enige bepaling uit deze Algemene Huurvoorwaarden overtreedt, is die partij verplicht ten behoeve van de andere partij een onmiddellijke opeisbare boete te betalen van € 25,- (niveau november 2013, geïndexeerd volgens de CBS Consumentenprijsindex, Alle Huishoudens) per kalenderdag met een maximum van € 15.000,-, onverminderd de verplichting van die partij om alsnog overeenkomstig deze Algemene Huurvoorwaarden te handelen en onverminderd de rechten op schadevergoeding. Deze boete zal, zonder rechterlijke tussenkomst voor elke dag waarin de overtreding voortduurt, verschuldigd zijn.
3.8.
Het rentebeding in artikel 7.3, eerste zin, is in overeenstemming met de regeling in artikel 6:119 BW Pro. Dit beding is op zichzelf daarom voor wat betreft de verschuldigdheid van rente niet oneerlijk. In combinatie met het boetebeding in artikel 17.3 is het rentebeding wel oneerlijk. Op grond van deze bedingen zou de eisende partij in geval van niet tijdige huurbetaling door de huurder wettelijke rente én een boete in rekening kunnen brengen, terwijl de huurder op grond van de wettelijke regeling uitsluitend wettelijke rente verschuldigd zou zijn. Hiermee wordt het evenwicht tussen de uit de huurovereenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de gedaagde partij verstoord.
3.9.
De incassobedingen in artikel 7.3, tweede zin, en artikel 17.2 zijn op zichzelf, maar ook in combinatie met artikel 17.3, oneerlijk. De eisende partij heeft op grond van deze bedingen de vrije hand in het ongelimiteerd in rekening brengen van een bedrag aan incassokosten. De bedongen (invorderings)kosten in het beding zijn niet gespecificeerd. De eisende partij kan op grond van deze bedingen een door haar zelf te bepalen bedrag aan incassokosten op de consument verhalen als er als gevolg van een niet nakomen door de consument maatregelen moeten worden genomen. Bovendien zouden de bedingen tot gevolg kunnen hebben dat de consument belast wordt met hoge kosten, die normaal gesproken niet ten laste van de consument behoren te komen. De consument is op grond van de wettelijke regeling immers uitsluitend buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd, indien is voldaan aan artikel 6:96 lid 6 BW Pro, waarbij de aanmaning ook moet voldoen aan de door de Hoge Raad in zijn arrest van 25 november 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2704) gestelde eisen. Met het beding wordt het contractuele evenwicht tussen partijen dan ook onevenredig verstoord, ten nadele van de consument. Ook geldt dat de cumulatie met het boetebeding in artikel 17.3, zoals hiervoor ook al is overwogen, de oneerlijkheid van de bedingen alleen nog maar versterkt.
3.10.
Artikel 17.2 ziet ook op de proceskosten. Voor zover de eisende partij op grond van dit beding aanspraak kan maken op gerechtelijke kosten die boven het liquidatietarief uitkomen, is dit beding oneerlijk.
Gevolgen van deze toetsing
3.11.
De eisende partij heeft zich in de dagvaarding op het standpunt gesteld dat de algemene voorwaarden geen onredelijk bezwarende bedingen bevatten. De kantonrechter gaat er daarom vanuit de eisende partij geen behoefte heeft om zich daar verder nog over uit te laten. De kantonrechter volgt de eisende partij niet in haar standpunt gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en vernietigt de artikelen 7.3 en 17.2 van de algemene voorwaarden. Dat betekent dat de gevorderde rente en buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen.
3.12.
Alhoewel het proceskostenbeding oneerlijk is, heeft dit geen gevolg voor de proceskostenveroordeling in deze procedure, omdat de (kanton)rechter op grond van artikel 237 in Pro samenhang met artikel 242 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ertoe gehouden is om de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te veroordelen en deze proceskosten niet lager mogen worden vastgesteld dan het liquidatietarief.
Huurachterstand
3.13.
De huurachterstand tot en met januari 2024 bedraagt € 431,70 (€ 1.060,43 minus € 628,73 aan deelbetalingen). Dit bedrag is toewijsbaar.
Proceskosten
3.14.
De gedaagde partij wordt grotendeels in het ongelijk gesteld en wordt daarom in de proceskosten veroordeeld.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt de gedaagde partij om aan de eisende partij te betalen een bedrag van
€ 431,70 aan achterstallige huurpenningen;
4.2.
veroordeelt de gedaagde partij in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van de eisende partij begroot op:
€ 137,39 wegens dagvaardingskosten,
€ 328,00 wegens griffierecht en
€ 82,00 wegens salaris gemachtigde;
4.3.
verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Kruithof en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter

Voetnoten

1.Dat volgt uit arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 27 januari 2021 (ECLI:EU:C:2021:68) en 8 december 2022 (ECLI:EU:C:2022:971).