ECLI:NL:RBNHO:2024:4782
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling dagloonvaststelling IVA-uitkering en WW+-uitkering als loon
Eiseres was van 2006 tot 2019 in dienst bij haar werkgever en ontving daarna een WW-uitkering met een aanvullende WW+-uitkering van haar ex-werkgever, terwijl haar dienstverband was beëindigd. Zij kreeg een IVA-uitkering toegekend met een dagloon vastgesteld zonder de WW+-uitkering mee te rekenen.
Eiseres stelde dat de WW+-uitkering wel moest worden meegenomen in de dagloonberekening, omdat dit loon uit vroegere dienstbetrekking zou zijn en het niet meenemen in strijd zou zijn met het gelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel. Verweerder stelde dat de WW+-uitkering geen loon uit tegenwoordige dienstbetrekking is en daarom niet meetelt.
De rechtbank oordeelde dat de WW+-uitkering een bovenwettelijke uitkering is, voortkomend uit een CAO, en niet als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking kan worden aangemerkt. De uitkering is een betaling die samenhangt met het einde van de dienstbetrekking en geen rechtstreekse beloning voor arbeid in de referteperiode vormt. Daarom valt deze niet onder het SV-loon en mag buiten beschouwing worden gelaten bij de dagloonvaststelling.
De rechtbank verwierp ook het beroep op het gelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel en de exceptieve toetsing van het Dagloonbesluit, omdat de wettelijke regeling en de sociale partners hierover duidelijke keuzes hebben gemaakt. De nadelige financiële gevolgen voor eiseres zijn het gevolg van deze keuzes en niet onrechtmatig.
Het beroep van eiseres werd ongegrond verklaard en zij kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de WW+-uitkering niet meetelt voor de dagloonvaststelling van de IVA-uitkering.