Uitspraak
[bedrijf] NV , te [vestigingsplaats] , eiseres
de inspecteur van de Douane, kantoor Groningen, verweerder
Feiten
Geschil
.
Beoordeling door de rechtbank
2 mei 2016 en later gedane douaneaangiften, zodat zij terecht tot uitgangspunt nemen dat het DWU van toepassing is.
Naar het oordeel van de rechtbank volgt dat reeds uit de tekst van het derde lid van artikel 173 van Pro het DWU. De tekst van artikel 173, derde lid, van het DWU luidt:
“Op verzoek van de aangever kan, binnen drie jaar na de datum van aanvaarding van de douaneaangifte, worden toegestaan dat de douaneaangifte wordt gewijzigd na vrijgave van de goederen, zodat de aangever zijn verplichtingen inzake het plaatsen van goederen onder de desbetreffende douaneregeling kan nakomen.”
De rechtbank sluit zich in zoverre aan bij haar uitspraak van 22 november 2023 in de zaak 21/1098 (ECLI:NL:RBNHO:2023:12829, r.o. 16).
That amendment can only take place in order for the declarant to comply with the obligations related to the placing of the goods under the customs procedure concerned”
However, in practice there might be cases where it would be necessary to exclude the possibility of amendment, e.g. in cases where the customs declarations has to be invalidated, according to the UCC provisions.”
Article 173(3) UCC allows the amendment of a customs declaration to comply with the validity, authenticity, completeness and accuracy of the data provided by the declarant (see Article 15(2) UCC), wich is one of the obligations resulting from the placing of the goods under the customs procedure.”
Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 218,75 (1 punt voor het indienen van het verzoek om vergoeding van immateriële schade, met een waarde van € 875 en een factor 0,25 voor het gewicht van de zaak) nu de Staat slechts wordt veroordeeld in de proceskosten van eiseres omdat aan eiseres een vergoeding voor immateriële schade wordt toegekend (vgl. Hoge Raad 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:660 en Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, r.o. 5.2).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding aan eiseres van de aan de beroepsfase toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op een bedrag van € 1500;
- veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 218,75;
- draagt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) op het betaalde griffierecht van € 360 aan eiseres te vergoeden.
mr. K. Idsinga-Schellaars, leden, in aanwezigheid van mr. E.P. van der Zalm, griffier.