De passagiers hebben een vervoersovereenkomst met Royal Air Maroc gesloten voor een vlucht van Amsterdam naar Nador op 31 juli 2022, die met meer dan drie uur vertraging werd uitgevoerd. Zij vorderden compensatie op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004. De vervoerder heeft tijdens de mondelinge behandeling zijn verweer tegen de hoofdsom ingetrokken, waardoor de kantonrechter de compensatie toewijst.
De procedure kende een verloop met diverse schriftelijke stukken en een mondelinge behandeling op 18 augustus 2025. De kantonrechter oordeelde dat de dagvaarding, ondanks formele tekortkomingen in de hoedanigheid van een van de passagiers als wettelijk vertegenwoordiger van een minderjarige, toelaatbaar was vanwege de duidelijkheid voor de vervoerder en de tendens tot deformalisering.
De vervoerder betwistte aanvankelijk de vordering en stelde dat de passagiers onjuist hadden gedagvaard en dat de vordering via zijn website had moeten worden ingediend. De kantonrechter verwierp deze bezwaren, onder meer omdat de vervoerder inhoudelijk verweer voerde en dit later introk. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
De vervoerder wordt veroordeeld tot betaling van € 1.200,- plus wettelijke rente, proceskosten en nakosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.