ECLI:NL:RBNHO:2025:13592
Rechtbank Noord-Holland
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag uitkering Participatiewet wegens ontbreken hoofdverblijf in gemeente Zaanstad
Eiser diende op 30 april 2025 een aanvraag in voor een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw), waarbij hij verklaarde te wonen bij zijn zoon in de gemeente Zaanstad. Het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad wees de aanvraag op 27 juni 2025 af omdat eiser volgens hen zijn hoofdverblijf niet in Zaanstad had. Na een bezwaarprocedure handhaafde het college deze beslissing op 29 september 2025.
Eiser stelde beroep in en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. Tijdens de zitting op 6 november 2025 werden de standpunten van partijen besproken. De voorzieningenrechter oordeelde dat het onderzoek van het college voldoende zorgvuldig was uitgevoerd, onder meer door het opvragen van bankgegevens, het houden van een gesprek en een onaangekondigd huisbezoek.
De voorzieningenrechter concludeerde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij in de relevante periode zijn hoofdverblijf in Zaanstad had. Bankafschriften en verklaringen wezen uit dat hij vooral in Nijmegen verbleef. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. Eiser kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter A.R. ten Berge en griffier M.E. Kleijn op 20 november 2025. Tegen deze uitspraak is hoger beroep mogelijk bij de Centrale Raad van Beroep binnen zes weken na verzending van de uitspraak.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag uitkering Participatiewet wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.