ECLI:NL:RBNHO:2025:13853

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
27 november 2025
Zaaknummer
11729801 CV EXPL 25-3450
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging overeenkomst van opdracht wegens dringende reden en de gevolgen voor de vergoeding

In deze zaak gaat het om de beëindiging van een overeenkomst van opdracht tussen [eiser] en [gedaagde]. De overeenkomst, die op 1 augustus 2024 inging, werd door [gedaagde] op 12 maart 2025 beëindigd wegens een dringende reden. [eiser] had als coach/trainer van het Heren 1 team van [gedaagde] gewerkt, maar na een incident op 9 maart 2025, waarbij een speler en [eiser] in een conflict raakten, besloot [gedaagde] de samenwerking per direct te beëindigen. [eiser] vorderde in de procedure dat de opzegging onrechtmatig was en eiste een schadevergoeding van € 10.628,58 inclusief btw, alsook de proceskosten. De kantonrechter oordeelde dat de opzegging rechtsgeldig was, omdat het voorval als een dringende reden kon worden gekwalificeerd. De kantonrechter benadrukte dat de overeenkomst geen definitie van 'dringende reden' bevatte, maar dat de omstandigheden van het geval en de afspraken tussen partijen bepalend waren. De rechter concludeerde dat [gedaagde] niet kon worden verplicht om de volledige opzegtermijn van drie maanden in acht te nemen, gezien de ernst van het voorval. Wel werd [gedaagde] veroordeeld tot betaling van de vergoeding over de maand opzegtermijn, omdat de opzegging niet leidde tot een vrijstelling van de betalingsverplichting. De proceskosten werden toegewezen aan [eiser].

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11729801 \ CV EXPL 25-3450
Vonnis van 26 november 2025
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. T.A.A. Meerding,
tegen
[gedaagde],
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. K.M.C. Stalenhoef.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties
- de conclusie van antwoord met producties
- het tussenvonnis waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- het bericht van 17 oktober 2025 met productie(s) van [eiser]
- de mondelinge behandeling van 28 oktober 2025 waarvan door de griffier aantekeningen is gemaakt en de bij die behandeling voorgedragen en overlegde pleitaantekeningen van beide partijen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Tussen [eiser] en [gedaagde] is per 1 augustus 2024 een overeenkomst van opdracht tot stand gekomen. [eiser] heeft voor HBS werkzaamheden uitgeoefend in de functie van coach/trainer van de Heren 1 team van [gedaagde].
2.2.
In de overeenkomst van opdracht staat:
Artikel 3.1: de opdracht vangt aan d.d. 1 augustus 2024 en wordt aangegaan tot en met 30 juni 2026, waarna de overeenkomst van rechtswege zal eindigen.
(…)
Artikel 5.2: Ieder der Partijen heeft het recht om deze overeenkomst tussentijds te beëindigen door middel van opzegging, ongeacht de reden daarvan. Wel dient daarbij een opzegtermijn van drie maanden in acht te worden genomen, terwijl opzegging voorts tegen het eind van een kalendermaand dient plaats te vinden. Indien de opzegging een dringende reden als aanleiding heeft zal een opzegtermijn van 1 maand in acht worden genomen.
(…)
Artikel 6.5: Gedurende de periode dat Opdrachtnemer om wat voor redenen en voor wiens risico ook feitelijk geen werkzaamheden verricht in het kader van de uitvoering van de Opdracht heeft Opdrachtnemer geen aanspraak op vergoeding of beloning van welke aard dan ook.
2.3.
Het begrip dringende reden zoals in artikel 5.2 is vermeld, is niet nader gedefinieerd in de overeenkomst.
2.4.
Op 4 februari 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [gedaagde] en [eiser]. Daarin heeft [gedaagde] aangegeven de samenwerking te beëindigen tegen het einde van het seizoen.
2.5.
Op 25 februari 2025 heeft [eiser] een e-mail verzonden met de vraag of hij zijn factuur over juni 2025 ook in mei 2025 kan indienen. [eiser] is daarbij vanuit gegaan dat ‘einde seizoen’ eind juni betekent.
2.6.
Op 8 maart 2025 heeft [gedaagde] in reactie hierop aangegeven dat dit niet kan omdat de samenwerking per 31 mei 2025 eindigt en er over juni 2025 geen opdracht meer is.
2.7.
Op 9 maart 2025 werd [eiser] uitgenodigd om op 13 maart 2025 verder in gesprek gaan over de (financiële) afwikkeling van de werkzaamheden.
2.8.
Op diezelfde dag heeft het team van [eiser] een competitiewedstrijd gespeeld. De wedstrijd werd verloren en er ontstond een nare confrontatie tussen een speler en [eiser] (verder: het voorval) in het bijzijn van alle spelers, het bestuur en een deel van het nog aanwezige publiek.
2.9.
Diezelfde avond heeft [eiser] aan de speler zijn excuses aangeboden en heeft hij de speler uitgenodigd om de kwestie uit te spreken bij de training van 11 maart 2025.
2.10.
Op 11 maart 2025 was het bestuur van [gedaagde] op de club aanwezig om met [eiser] het voorval te bespreken. [eiser] heeft uitgelegd dat hij van mening was dat het een teamaangelegenheid was en dat hij geen verantwoording aan het bestuur verschuldigd is hierover.
2.11.
Op 12 maart 2025 heeft [gedaagde] een e-mail naar [eiser] verzonden met de mededeling dat zijn opdracht direct wegens dringende reden is beëindigd en dat hij geschorst is:
“Middels deze brief informeren wij jou als opdrachtgever dat een onhoudbare situatie is ontstaan, waardoor jij je opdracht als trainer/coach van ons H1 team niet meer kunt uitvoeren. We beëindigen deze opdracht daarom per direct. Een maand geleden hebben we je reeds laten weten dat wij na het einde van het seizoen niet met je verder willen. Dit onder andere vanwege je houding en gedrag, waarbij we je hebben aangegeven dat je je emotionele reacties echt zult moeten veranderen en echt ander gedrag moet laten zien tot het einde van het seizoen. (…)
De situatie die je hebt gecreëerd afgelopen zondag d.d. 9 maart bij Hockeyclub Gooische, is voor ons aanleiding de overeenkomst met jou onmiddellijk te beëindigen. (…)
We hebben dinsdag 11 maart 2025 jou de gelegenheid gegeven om te reageren op het incident op 9 maart. Dit deed jij zeer beperkt omdat je het een team aangelegenheid vindt en dat jij dit met de speler bespreekt. Het enige dat je hierover te zeggen had was dat zoiets nu eenmaal kan gebeuren in hitte van de strijd tussen 2 mannen en wat in jouw ogen normaal is.
Na beraad hebben we besloten dat jouw gedrag is voor ons onacceptabel en niet toelaatbaar. Zo gaan wij niet met elkaar om. Jij bent nota bene de coach, die het goede voorbeeld zou moeten geven en er voor het team hoort te zijn.
De combinatie van jouw dominante manier van communiceren en plotselinge, emotionele reacties, zoals die van aflopen zondag, maakt dat de spelersgroep zich niet meer veilig voelt. (…)
We hanteren hierbij de opzegperiode van één maand bij opzegging wegens dringende redenen. (…) Vanaf heden word je geschorst. Dit betekent dat je geen werkzaamheden meer zult verrichten. Op grond van artikel 6.5 van de Overeenkomst van opdracht heb je over deze periode geen recht op beloning. (…)”
2.12.
Op 13 maart 2025 hebben twee spelers [eiser] via whatsapp bedankt voor de fijne samenwerking:
“Ik heb ook zeker erg genoten van onze samenwerking (…) Dank voor je inzet (…) ook die samenwerking heb ik als enorm prettig ervaren.”
en
“ik wil je graag persoonlijk nog een keer heel erg bedanken voor de afgelopen seizoenshelft (…) Ik heb geen slecht woord over je te zeggen niet als coach of als persoon. (…) je was de eerste die me gelijk op het matje riep toen het niet liep. Bedankt daarvoor en de tijd die je in ons hebt gestoken. (…)”
2.13.
Bij brief van 15 april 2025 hebben elf spelers verklaard dat de manier van communiceren en reageren van [eiser] zorgde voor een onveilige situatie binnen het team en als zeer onprettig werd ervaren.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – samengevat – voor recht te verklaren dat de opzegging van 12 maart 2025 door [gedaagde] per 12 april 2025 onrechtmatig is geweest en [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 10.628,58 inclusief btw aan vergoeding en de werkelijk gemaakte proceskosten van € 9.350,88, subsidiair de wettelijke proceskosten.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] heeft niet aangetoond of gemotiveerd dat sprake was van een dringende reden. Omdat de overeenkomst van opdracht geen definitie geeft voor dringende reden, moet aansluiting worden gezocht bij de definitie en vereisten zoals die in het arbeidsrecht gelden en [gedaagde] heeft hieraan niet voldaan. Daarnaast doet [gedaagde] ten onrechte een beroep op artikel 6.5 omdat hiermee is feitelijk geen opzegtermijn wordt gehanteerd. Omdat sprake is van onrechtmatige opzegging, moet [gedaagde] de daardoor geleden schade vergoeden, bestaande uit gemiste inkomsten tot eind juni 2025 en de advocaatkosten die [eiser] heeft moeten maken om zijn gelijk te kunnen behalen.
3.3.
[gedaagde] betwist dat onrechtmatig is opgezegd. De betekenis van dringende reden moet niet gezocht worden binnen het arbeidsrecht, maar moet worden bepaald aan de hand van het Haviltex-criterium. Gezien de omstandigheden kon van [gedaagde] niet worden verlangd dat [eiser] nog tot het einde van het seizoen werkzaamheden zou verrichten. Voor zover wel aansluiting moet worden gezocht bij de arbeidsrechtelijke criteria voor het aannemen van een dringende reden, is wel aan de vereisten voldaan. Tot slot voert [gedaagde] onder verwijzing naar artikel 6.5 aan dat van enige vergoeding geen sprake kan zijn. Inzake de gevorderde advocaatkosten voert [gedaagde] aan dat de werkzaamheden van ná 25 april 2025 onder de proceskostenveroordeling vallen en doet zij subsidiair een beroep op matiging.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Partijen zijn een overeenkomst van opdracht zijn aangegaan. Een overeenkomst van opdracht kan ten alle tijden worden opgezegd tenzij partijen hiervan contractueel afwijken [1] . Partijen hebben in dit geval van die afwijkmogelijkheid gebruik gemaakt en afgesproken dat er tussentijds opgezegd kan worden met een opzegtermijn van drie maanden en bij een beëindiging wegens dringende reden, met een opzegtermijn van één maand. [gedaagde] heeft na de opzegging in februari 2025 tegen het einde van het seizoen op 11 maart 2025 (opnieuw) de overeenkomst opgezegd wegens een dringende reden met beëindigingsdatum 12 april 2025. Partijen verschillen in de eerste plaats van mening over de vraag of sprake was van een dringende reden voor opzegging.
Definitie dringende reden?
4.2.
In de overeenkomst is geen definitie gegeven van het begrip dringende reden. anders dan [eiser] betoogt, volgt uit vaste jurisprudentie dat voor (analoge) toepassing van arbeidsrechtelijke criteria op andere overeenkomsten geen plaats is [2] . In de door [eiser] aangehaalde jurisprudentie, waarin arbeidsrechtelijke criteria wel zijn toegepast, was geen sprake van een vergelijkbare situatie. In die zaken werd in de bepalingen van de opdrachtovereenkomsten namelijk expliciet verwezen naar het arbeidsrecht. In de overeenkomst van opdracht tussen partijen is een dergelijke verwijzing er juist niet.
4.3.
Nu partijen van mening verschillen over de betekenis van het begrip dringende reden in de overeenkomst, moet de kantonrechter de overeenkomst op dit punt uitleggen. Daarbij komt het aan op de betekenis die partijen bij die overeenkomst in de gegeven omstandigheden van het geval over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op wat zij in dat opzicht redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang.
4.4.
Ter zitting hebben partijen toegelicht dat zij niet specifiek hebben besproken hoe de term dringende reden ingevuld zou moeten worden. Wel is duidelijk geworden dat [gedaagde] normaliter gebruik maakt van een opzegtermijn van één maand, maar dat op verzoek van [eiser] een opzegtermijn van drie maanden is opgenomen om hem bij tussentijdse beëindiging enige (inkomens)zekerheid te geven. [gedaagde] heeft vervolgens aangegeven een optie te willen hebben om sneller dan drie maanden te kunnen handelen indien nodig. Daarom is aan artikel 5.2 toegevoegd dat in geval van tussentijdse opzegging wegens een dringende reden een opzegtermijn van slechts één maand zal gelden. De kantonrechter begrijpt hieruit dat partijen bewust hebben gekozen om een kortere opzegtermijn op te nemen voor het geval sprake zou zijn van een zodanig ernstig en/of spoedeisend voorval dat van [gedaagde] redelijkerwijs niet verwacht kan worden een opzegtermijn van drie maanden te hanteren. Dit is ook in lijn met de betekenis van het begrip dringend in het spraakgebruik, namelijk: geen uitstel duldend.
Is rechtsgeldig opgezegd wegens een dringende reden?
4.5.
[eiser] voert aan dat het voorval niet gekwalificeerd kan worden als dringende reden. Zo horen oplopende emoties bij het competitieve karakter van de sport en heeft [eiser] diezelfde avond contact opgenomen met de speler en zijn excuses aangeboden. [eiser] zou het voorval nog in persoon met de speler bespreken om het af te ronden, maar kwam hier, door het gesprek met het bestuur op 11 maart 2025 en de daaropvolgende opzegging door [gedaagde], niet meer aan toe. Daarbij betwist [eiser] dat er voorafgaand aan het voorval een gevoel van onveiligheid zou bestaan bij de spelers.
4.6.
Uit de stukken en wat ter zitting is besproken, is bij de kantonrechter het beeld ontstaan dat [eiser] een fanatieker trainer is die spelers probeert te motiveren om het beste uit zichzelf te halen. Hij is niet bang om spelers op hun spel aan te spreken en heeft wel eens uit frustratie een klap op de dug-out heeft gegeven. In het heetst van de strijd kan hij daarbij fel uit de hoek komen.
4.7.
Dat [eiser] eerder is aangesproken op zijn gedrag, dat [eiser] ermee bekend was dat door zijn (coachings-)gedrag al langere tijd sprake zou zijn van een onveilige situatie bij de spelers en/of dat bij de opzegging in februari 2025 aan [eiser] is meegedeeld dat zijn gedrag (mede) reden van die opzegging was, valt niet eenduidig uit de stukken op te maken. [eiser] betwist dit ook gemotiveerd. Omdat de verklaringen van de spelers en andere betrokkenen achteraf zijn opgesteld, kan hieraan maar beperkte waarde worden gehecht. De kantonrechter gaat er bij de verdere beoordeling daarom vanuit dat [eiser] niet eerder door of vanwege het bestuur van [gedaagde] op zijn gedrag is aangesproken.
4.8.
[eiser] heeft erkend dat hij op 9 maart 2025 met teveel emotie heeft gereageerd op de uitlatingen van de speler en hem er onder andere van heeft beschuldigd een leugenaar te zijn en dat hij achter de rug van [eiser] om diens ontslag probeerde te regelen. [eiser] heeft aangegeven dat hij een emotioneel zware week had omdat hij de opzegging in februari niet had zien aankomen en er een vervelende discussie gaande was over doorbetaling van zijn vergoeding.
4.9.
Uit het voorgaande blijkt dat de ongepaste reactie van [eiser] niet alleen was ingegeven door emoties vanwege een verloren wedstrijd. Van [eiser] mag echter, als ervaren trainer van een selectieteam, niet alleen verwacht worden dat hij zijn emoties behorende bij een wedstrijd in bedwang kan houden, maar ook dat hij zijn frustratie over een lopende discussie met het bestuur niet (publiekelijk) afreageert op (een speler van) het team. [eiser] had zich moeten realiseren dat zijn emotionele uitbarsting niet alleen invloed heeft op de relatie met de speler of het team, maar ook op de vereniging als geheel. [gedaagde] heeft immers, zoals [eiser] ook wist, (sociale) veiligheid hoog in het vaandel staan en draagt dit ook uit. Omdat het voorval in het bijzijn van het team, het bestuur en nog aanwezige publiek heeft plaatsgevonden, heeft het bestuur het voorval als ernstig kunnen beschouwen en heeft zij [eiser] terecht om verantwoording gevraagd na het voorval. Het door [eiser] ook ter zitting gehandhaafde standpunt dat dit geen bestuursaangelegenheid was en hij daarom geen verantwoording hierover verschuldigd zou zijn aan [gedaagde], is dan ook onjuist. Onder deze omstandigheden oordeelt de kantonrechter dat van [gedaagde] na het voorval en het gebrek bij [eiser] aan inzicht in de ernst daarvan redelijkerwijs niet verwacht kon worden een opzegtermijn van drie maanden te hanteren. Daarmee is sprake van een dringende reden in de zin van de opdrachtovereenkomst. Dat enkele spelers kort daarna positief hebben verklaard over [eiser] legt onvoldoende gewicht in de schaal om anders te oordelen. Het bestuur heeft de opdrachtovereenkomst dan ook rechtsgeldig wegens een dringende reden opgezegd. De verklaring voor recht hieromtrent wordt afgewezen.
4.10.
[eiser] heeft nog aangevoerd dat ook bij een opzegging wegens dringende reden alleen tegen het einde van de maand kan worden opgezegd. Dit staat echter niet in de overeenkomst, en de enkele verwijzing naar de bewoordingen bij een opzegging met opzeggingstermijn van drie maanden is hiervoor onvoldoende. Dit heeft tot gevolg dat de overeenkomst van opdracht is geëindigd per 12 april 2025.
Is er een verplichting tot betaling van een vergoeding over de opzegtermijn?
4.11.
Een opzegtermijn is de termijn aan het einde waarvan, na rechtsgeldige opzegging, de rechtsbetrekking eindigt. Een overeengekomen betalingsverplichting loopt in beginsel dan ook door tot het einde van de opzegtermijn. Dat in dit geval is opgezegd wegens een dringende reden, doet daaraan niet af. Partijen hebben in de overeenkomst immers opgenomen dat ook bij beëindiging van de overeenkomst wegens dringende reden (anders dan bij een ontslag op staande voet in een arbeidsrelatie) een opzegtermijn van een maand geldt. Het staat [gedaagde] vanzelfsprekend vrij om [eiser] per 11 maart 2025 direct vrij te stellen van werkzaamheden, maar daarmee is de betalingsverplichting niet van tafel. Wanneer artikel 6.5 zo moet worden uitgelegd dat de opdrachtnemer ook in deze situatie geen recht heeft op beloning, heeft de opzegtermijn bij opzegging wegens een dringende reden de facto geen enkele waarde. Een redelijke uitleg van de overeenkomst verzet zich daartegen.
4.12.
De conclusie is dat [eiser] recht heeft op betaling van de overeengekomen vergoeding over de maand opzegtermijn, zijnde € 2.915,00 inclusief btw.
Proceskosten
4.13.
Omdat [gedaagde] in het ongelijk is gesteld, wordt zij veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) van [eiser]. [eiser] vordert daarbij vergoeding van de daadwerkelijk gemaakte advocaatkosten. Het is echter vaste jurisprudentie dat daarbij terughoudendheid past, gelet op het mede door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter. Een volledige vergoedingsplicht van proceskosten is dan ook slechts mogelijk in buitengewone omstandigheden, zoals misbruik van procesrecht of onrechtmatige daad. Daarvan is pas sprake als een partij een vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende of had behoren te kennen of op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden [3] . Daarvan is hier geen sprake. Dat [eiser] slechts een bescheiden inkomen ontvangt en nauwelijks middelen heeft om een procedure te voeren, maakt dit niet anders. De proceskosten van [eiser] worden daarom begroot op:
- kosten van de dagvaarding
148,04
- griffierecht
257,00
- salaris gemachtigde
476,00
(2 punten × € 238,00)
- nakosten
119,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.000,04

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.915,00 inclusief btw,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.000,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Jochem en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2025.

Voetnoten

1.Artikel 7:408 Burgerlijk Wetboek (BW)
3.HR 29 juni 2007, NJ 2007/353.