ECLI:NL:RBNHO:2025:14482

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
HAA 25/4713
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag voor kindzorg op grond van de Wmo door de voorzieningenrechter

In deze uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Holland op 4 december 2025, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Verzoekster, een inwoner van Heemstede, had een aanvraag ingediend voor huishoudelijke ondersteuning en kindzorg op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het college van burgemeester en wethouders van Heemstede had deze aanvraag op 28 augustus 2025 afgewezen, met de reden dat de zorgvraag van verzoekster voorzienbaar was en zij zelf oplossingen had kunnen zoeken. Verzoekster, die lijdt aan neuralgische amytrofie, stelde dat zij en haar partner in een onhoudbare situatie verkeerden en dat er een spoedeisend belang was voor de gevraagde zorg. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat er geen spoedeisend belang aanwezig was, omdat het bezwaarschrift van verzoekster al in behandeling was en er geen acute zorgwekkende situatie was aangetoond. De voorzieningenrechter concludeerde dat het college niet evident onrechtmatig had gehandeld door de aanvraag af te wijzen, en dat kinderopvang een toereikende voorliggende oplossing was. De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af en er werd geen griffierecht of proceskostenveroordeling toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/4713

uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 december 2025 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit Heemstede, verzoekster

(gemachtigde: mr. K.G.M. Balak),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heemstede, het college
(gemachtigden: mr. M. Staller en S. Wouterson).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekster om huishoudelijke ondersteuning en kindzorg op grond van Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. In haar verzoekschrift heeft verzoekster aangegeven dat het zich uitsluitend richt op de afwijzing van de structurele kindzorg. De huishoudelijke ondersteuning laat de voorzieningenrechter dan ook onbesproken. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor huishoudelijke ondersteuning en kindzorg op grond van de Wmo. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 28 augustus 2025 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 20 november 2025 op zitting behandeld. Verzoekster is, vergezeld door haar partner, verschenen en zij is bijgestaan door haar gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

De situatie van verzoekster

3. Verzoekster woont samen met haar partner en dochter, die op [datum] 2025 is geboren. Verzoekster heeft neuralgische amytrofie. Dit is een aandoening van de zenuwen in de plexus brachialis (in dit geval), waarna uitval van de spieren rondom de schouders kan ontstaan. Het gaat gepaard met acute heftige pijn, gedurende drie tot vier weken, waarna een meer zeurende pijn resteert. Als gevolg van de neuralgische amytrofie heeft verzoekster beperkingen in de functie van de aangedane arm, wat invloed heeft op de verzorging van de dochter. De dochter gaat twee dagen per week naar de kinderopvang. De dochter is gediagnosticeerd met het Sandifer-syndroom, een aandoening die gepaard gaat met refluxproblemen en spasmen, waardoor zij vaker rechtop gehouden moet worden. Verzoekster heeft op 15 augustus 2025 onderhavige aanvraag om huishoudelijke ondersteuning en kindzorg ingediend.
Het bestreden besluit
4. Het college heeft de aanvraag om kindzorg afgewezen op grond van het volgende. Op grond van artikel 7, derde lid, onder e, van de Verordening [1] , wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt als de voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de cliënt rekening had gehouden met bestaande en bekende beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen. Dit is volgens het college hier het geval. Verzoekster heeft al sinds 2021 neuralgische amyotrofie en al voor de zwangerschap was duidelijk dat er geen verbetering mogelijk was wat betreft de aandoening en de daardoor ontstane beperkingen. Verzoekster kon voordat zij zwanger was bepaalde herhalende lichte handelingen niet uitvoeren en bijvoorbeeld niet een pak havermout optillen. Zij had dus kunnen voorzien dat zij de alledaagse verzorging van haar dochter niet zou kunnen doen. Dit is tijdens een huisbezoek in maart 2025 (vóór de bevalling) besproken. Omdat deze situatie voorzienbaar was, had verzoekster zelfstandig een oplossing kunnen zoeken voor de momenten waarop haar partner werkt. Zij had bijvoorbeeld haar dochter tijdig voor vier dagen per week kunnen aanmelden voor kinderopvang. Daarnaast is kinderopvang volgens het college een voorliggende oplossing. Het college heeft in de persoonlijke omstandigheden van verzoekster tot slot geen aanleiding gezien om de hardheidsclausule toe te passen.
Spoedeisend belang
5. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Voor toewijzing moet sprake zijn van een spoedeisend belang én het moet zeer waarschijnlijk zijn dat de vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen. De voorzieningenrechter moet daarom eerst kijken of er sprake is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld. Een spoedeisendheid is aanwezig als van verzoekster niet kan worden verwacht dat zij de uitkomst van het bezwaar- of beroepschrift dat tegen het besluit is ingediend, afwacht.
6. Verzoekster heeft in het kader van het spoedeisend belang toegelicht dat zij en haar partner sinds juni 2025 hebben aangegeven de zorg voor hun dochter niet langer zonder hulp te kunnen dragen en dat de noodzaak voor kindzorg toen ook is vastgesteld door de revalidatiearts. Verzoekster en haar partner stellen dat zij in een onhoudbare situatie verkeren omdat de fysieke en psychische belasting voor hen zodanig is dat het niet verantwoord is om de uitkomst van de bezwaarprocedure af te wachten. In juli 2025 heeft verzoekster opnieuw een aanval gehad door de neuralgische amytrofie, waarvan de nasleep voortduurt. Bij de partner van verzoekster is sprake van ernstige overbelasting en hij kampt inmiddels met ernstige stressklachten. Hij werkt 36 uur per week, waarvan sommige dagen op locatie in Den Haag, met dagelijks ongeveer twee uur reistijd. Ook op de dagen dat hij thuiswerkt, wordt hij voortdurend onderbroken omdat hij moet inspringen bij de verzorging van hun dochter. Verzoekster wijst erop dat op 28 oktober 2025 de huisarts heeft vastgesteld dat de partner van verzoekster overspannen is en dat hij hiervoor op korte termijn ondersteuning zal krijgen van de POH-GGZ. Verzoekster kan nu echt niet meer verder op deze manier. Ze kampt met veel pijnklachten. Uit het conceptbehandelplan van Reade blijkt dat zij meer rust moet nemen om haar klachten te lasten verminderen. De situatie is ook spoedeisend, omdat de dochter is gediagnosticeerd met het Sandifer-syndroom.
7. Naar het oordeel van voorzieningenrechter is geen sprake van het spoedeisend belang dat in het kader van een voorlopige voorziening vereist is. Daarvoor is allereerst van belang dat uit de dossierstukken blijkt dat het bezwaarschrift van verzoekster door het college op de hoorzitting van 20 november 2025 behandeld wordt. Ter zitting heeft het college desgevraagd laten weten dat de commissie voor bezwaarschriften is gevraagd zo spoedig mogelijk te adviseren over het bezwaarschrift en dat de commissie heeft aangegeven ernaar te streven uiterlijk 4 december 2025 over het bezwaarschrift te adviseren. De gemachtigde van het college heeft ter zitting verklaard het bezwaarschrift voortvarend te willen behandelen. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat het college zich aan deze toezegging houdt en dat zo spoedig mogelijk een besluit op bezwaar volgt. Verder is van belang dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake is van een situatie die zo urgent is dat de bezwaarprocedure niet afgewacht kan worden. Dat er, zoals verzoekster stelt, sprake is van een onhoudbare situatie en onomkeerbare gevolgen is onvoldoende onderbouwd. De enkele omstandigheid dat er een “spoedaanvraag” is ingediend door de revalidatiearts is hiervoor onvoldoende. Daarbij komt dat in de aanvraag – samengevat – staat dat het een aanvraag voor babythuiszorg betreft in verband met eerder doorgemaakte neuralgische amyotrofie rechts, waardoor er beperkingen zijn wat invloed heeft op de verzorging van het pasgeboren kind. In het conceptbehandelplan van de revalidatiearts van 28 oktober 2025 staat “ (…) Door weer meer balans te vinden in inspanning en rust verwachten we dat klachten zullen afnemen en gaandeweg meer activiteiten opgepakt kunnen worden (…)”. De inhoud van deze aanvraag en het plan biedt onvoldoende concrete aanknopingspunten op grond waarvan de huidige situatie als spoedeisend kan worden aangemerkt. Daaraan kan de stelling dat de partner van verzoekster inmiddels overspannen is, mede door het ontbreken van stukken ter onderbouwing van die stelling, evenmin bijdragen. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat verzoekster vooralsnog geen aanleiding heeft gezien om in te gaan op het voorstel van het college in juli 2025 om in gesprek te gaan over een (indien noodzakelijk) tijdelijke oplossing totdat er een extra plek is op de kinderopvang Tot slot stelt de voorzieningenrechter vast dat niet is gebleken dat de zorg voor de dochter van verzoekster thans onvoldoende is. Uit de stukken en de behandeling ter zitting volgt geen enkel aanknopingspunt om aan te nemen dat de gezondheidssituatie van de dochter acuut zorgwekkend is.
Voorlopig rechtmatigheidsoordeel
8. Vooropgesteld zij dat verzoekster, en haar partner, in een situatie verkeren waarvoor een oplossing moet komen. De vraag die bij de beoordeling van de besluitvorming voorligt is of verzoekster voor een oplossing is aangewezen op een maatwerkvoorziening op de grond van de Wmo. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat op zichzelf het kunnen uitvoeren van oudertaken zou kunnen vallen onder zelfredzaam zijn en kunnen participeren, zoals bedoeld in de Wmo. Daarbij neemt de voorzieningenrechter mede in overweging dat kindzorg (ook een onderdeel van de oudertaken) daar ook onder kan vallen.
9. Omdat de voorzieningenrechter vindt dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft, kan zij de voorziening alleen nog treffen als het besluit van het college evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat het voor de voorzieningenrechter overduidelijk is dat het standpunt van het college niet correct is en in de bezwaarfase dus geen stand zal houden. De voorzieningenrechter moet dit kunnen vaststellen zonder grondig onderzoek te doen naar de relevante feiten en/of de wettelijke bepalingen van de zaak. De voorzieningenrechter oordeelt dat het niet overduidelijk is dat het bestreden besluit onjuist is.
10. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een evident onrechtmatig besluit. De voorzieningenrechter heeft geen ernstige twijfels over de houdbaarheid van het standpunt van het college dat verzoekster haar hulpvraag gelet op haar aandoening redelijkerwijs van te voren had kunnen voorzien en met haar beslissing had kunnen voorkomen als bedoeld in artikel 7, derde lid, sub e, van de Verordening. Bij de huidige stand van zaken volgt de voorzieningenrechter in dit geval het standpunt van het college dat kinderopvang een toereikende voorliggende voorziening is. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat een maatwerkvoorziening uitdrukkelijk de hekkensluiter is (zie de MvT, TK 2013-2014, 33 841, nr 3, bladzijden 34 en 148). In de rechtspraak is onder meer geoordeeld dat de Wmo geen ruimte biedt om van de burger te eisen dat hij preventief maatregelen treft en investeringen doet die tot doel hebben te voorkomen dat toekomstige onzekere gebeurtenissen in zijn gezondheidstoestand leiden tot een beroep op de Wmo 2015. [2] In de memorie van toelichting bij de Wmo 2015 (Kamerstukken II, 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 148) staat echter ook dat het college geen maatwerkvoorziening behoeft te verstrekken “als de aanvrager zijn hulpvraag redelijkerwijs van te voren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen.” Deze toelichting sluit naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet uit dat een maatwerkvoorziening wordt afgewezen als de voorzienbaarheid concreet en duidelijk is, bijvoorbeeld omdat er al een beperking is die consequenties heeft. Daarmee moet men wel rekening houden. Zoals uit de dossierstukken blijkt staat vast dat verzoekster sinds de diagnose in 2021 (vóór het ontstaan van de zwangerschap) al bepaalde beperkingen had. Zo staat in het verslag van het Radboudumc van 21 januari 2022 dat verzoekster de arm niet kan heffen, zowel voorwaarts niet, als zijwaarts niet en het college heeft in het verweerschrift vermeld dat verzoekster in 2023 heeft aangegeven dat zij niet is staat is om goed te tillen (dat ze vanwege het gewicht bijvoorbeeld een pak havermout niet kan optillen) en dat ze op het gebied van sterker worden het maximale heeft bereikt. Gelet daarop kan in dit geval niet gesproken worden van niet-vaststaande toekomstige beperkingen.
Voorts geldt dat het college geen maatwerkvoorziening hoeft te verstrekken wanneer diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen die naar hun aard algemeen gebruikelijk zijn uitkomst kunnen bieden voor de cliënt. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een voorziening onder de Wmo kan worden aangemerkt als een algemeen gebruikelijke voorziening die aan het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de weg staat, indien deze voorziening daadwerkelijk beschikbaar is, een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin betrokkene tot zelfredzaamheid of participatie in staat is en door een persoon als betrokkene financieel kan worden gedragen. [3] De gemeente moet wel altijd onderzoeken of dat in dit geval ook zo is. De vraag of een voorziening financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau moet volgens de Centrale Raad van Beroep (CRvB) zo worden begrepen dat een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel naar algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen onder de gehele bevolking gangbaar is te achten. [4] Omdat de kinderopvangtoeslag inkomensafhankelijk is, gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat de kinderopvang gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau. Verzoekster stelt weliswaar dat de kinderopvang voor vier tot vijf opvangdagen per week financieel niet haalbaar is, maar heeft dit vooralsnog niet onderbouwd. Dat kinderopvang in het geval van verzoekster geen passende bijdrage is, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende onderbouwd. Dat extra dagen kinderopvang geen voorkeur verdient, is weliswaar begrijpelijk, maar vooralsnog ontbreekt ten aanzien van dat punt voldoende onderbouwing en bij een voorliggende voorziening hoeft het college geen rekening te houden met een voorkeur, zolang de voorziening maar wel beschikbaar en geschikt is. De stelling van verzoekster dat de kinderopvang teveel prikkels voor haar dochter meebrengt en dat zij als gevolg daarvan vermoeid raakt en veel huilt is onvoldoende om de voorziening in dit geval als niet geschikt te kwalificeren.

Conclusie en gevolgen

11. Gelet op het bovenstaande bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. ten Berge, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Boomsma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Verordening maatschappelijke ondersteuning Heemstede 2024.
3.Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2018:2182.