Appellante, geboren in 1960 en met mobiliteitsbeperkingen, vroeg op grond van de Wmo 2015 om een elektrische fiets als maatwerkvoorziening. Het college wees de aanvraag af, stellende dat een elektrische fiets een algemeen gebruikelijke voorziening is die financieel met een minimumniveau inkomen kan worden gedragen. De rechtbank Noord-Holland verklaarde het beroep ongegrond.
Appellante ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep, die oordeelde dat het college ten onrechte de elektrische fiets als algemeen gebruikelijke voorziening aanmerkte. De Raad benadrukte dat de voorwaarde dat een voorziening financieel met een minimumniveau inkomen moet kunnen worden gedragen, zo moet worden begrepen dat de voorziening maatschappelijk nog niet gangbaar is onder de gehele bevolking.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit van het college. Het college werd opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, waarbij rekening moet worden gehouden met deze uitspraak. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten van appellante en werd bepaald dat tegen de nieuwe beslissing alleen beroep bij de Raad mogelijk is.