In deze uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Holland op 15 december 2025, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker, die zijn rijbewijs ongeldig verklaard zag, behandeld. De Officier van Justitie (OvJ) had op 4 november 2025 aan verzoeker meegedeeld dat zijn rijbewijs ongeldig was geworden op basis van artikel 123b van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994). Verzoeker had hiertegen bezwaar gemaakt en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening, namelijk de tijdelijke schorsing van de ongeldigverklaring, totdat er op het bezwaar was beslist.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. Dit komt voort uit de vaststelling dat de mededeling van de OvJ geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Volgens artikel 1:3 van de Awb is een besluit een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan die gericht is op rechtsgevolg. De voorzieningenrechter stelt vast dat de ongeldigheid van het rijbewijs van rechtswege ontstaat, zonder dat een mededeling of beslissing van de OvJ vereist is. De mededeling van de OvJ is daarom niet gericht op rechtsgevolg en kan niet als een besluit worden aangemerkt.
Aangezien er geen bezwaar of beroep openstaat tegen de mededeling van de OvJ, kan er ook geen voorlopige voorziening bij de bestuursrechter worden gevraagd. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk, zonder inhoudelijke behandeling van het verzoek. Er is geen ruimte voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht. De uitspraak is openbaar gedaan en een afschrift is verzonden aan de betrokken partijen.