ECLI:NL:RBNHO:2025:14641

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
11876673 \ AO VERZ 25-124
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning van billijke vergoeding en transitievergoeding aan werknemers wegens ernstig verwijtbaar handelen van werkgever

In deze zaak hebben twee werknemers, [verzoeker 1] en [verzoeker 2], een verzoek ingediend om een billijke vergoeding te ontvangen vanwege het niet voortzetten van hun arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. De kantonrechter heeft het verzoek toegewezen, omdat er sprake was van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever, [verweerder] B.V. De werkgever had inbreuk gemaakt op de privacy van de werknemers door privé WhatsApp-berichten te lezen en te delen, wat leidde tot een vertrouwensbreuk. De kantonrechter oordeelde dat de billijke vergoeding lager uitviel dan door de werknemers was verzocht, maar dat de werkgever wel aansprakelijk was voor de schade die voortvloeide uit zijn handelen. Daarnaast werd het tegenverzoek van de werkgever om een gefixeerde schadevergoeding afgewezen. De kantonrechter heeft de hoogte van de billijke vergoeding vastgesteld op € 2.000,- per persoon, rekening houdend met de omstandigheden van de zaak en de impact van de privacy-inbreuk op de werknemers. De proceskosten werden toegewezen aan de werkgever, die in het ongelijk werd gesteld.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer / rekestnummer: 11876673 \ AO VERZ 25-124
Beschikking van 9 december 2025
in de zaak van

1.[verzoeker 1]

te [plaats],
2.
[verzoeker 2]
te [plaats],
verzoekende partijen,
verwerende partijen in het tegenverzoek,
hierna afzonderlijk te noemen: [verzoeker 1] en [verzoeker 2],
gemachtigden: mr. R.G.N. le Roy en mr. K.R. Stephan,
tegen
[verweerder] B.V.,
te [plaats],
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verweerder],
gemachtigde: mr. P.J.A.M. Voeten.
De zaak in het kort
In deze zaak verzoeken werknemers om toekenning van een billijke vergoeding wegens het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. De kantonrechter wijst het verzoek toe, omdat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van werkgever. De billijke vergoeding valt een stuk lager uit dan verzocht. Het tegenverzoek van werkgever om toekenning van een gefixeerde schadevergoeding wordt afgewezen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met 32 producties;
- het verweerschrift met tegenverzoek met 2 producties;
- aanvullende producties 33 t/m 41 van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] van 7 november 2025;
- aanvullende producties 42 en 43 van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] van 10 november 2025;
- de mondelinge behandeling van 11 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de pleitnota van [verzoeker 1] en [verzoeker 2];
- de pleitnota van [verweerder].
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[verweerder] en [bedrijf] [plaats] B.V. (hierna: [bedrijf]) zijn beide horecaondernemingen, die onderdeel uitmaken van Café-groep De Jaren B.V.
2.2.
[verzoeker 1], geboren op [geboortedatum 1] 2001, is op 9 december 2024 voor de duur van 7 maanden in dienst getreden bij [verweerder] in de functie van kok met een (gemiddeld) loon van € 4.783,68 bruto per maand.
2.3.
[verzoeker 2], geboren op [geboortedatum 2] 1999, is op 26 september 2024 voor de duur van 7 maanden in dienst getreden bij [verweerder] in de functie van kok met een (gemiddeld) loon van € 4.607,37 bruto per maand. De arbeidsovereenkomst is op 26 april 2025 verlengd voor de duur van 7 maanden.
2.4.
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] zijn goede vrienden van elkaar.
2.5.
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] zijn door [verweerder] aangenomen met het doel om een nieuw concept neer te zetten in de keuken van [bedrijf]. De introductie van het nieuwe concept is een aantal keer uitgesteld.
2.6.
[verzoeker 2] gebruikte zijn privé WhatsApp-account via WhatsApp Web op de zakelijke laptop van [bedrijf]/[verweerder].
2.7.
Op 24 juni 2025 zijn [verzoeker 1] en [verzoeker 2] uit de keuken geroepen voor een gesprek met de heer [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]), eigenaar van [verweerder], en de heer [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]), leidinggevende.
2.8.
In dat gesprek zijn [verzoeker 1] en [verzoeker 2] geconfronteerd met prints van foto’s die mevrouw [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3]), leidinggevende van de bediening van [bedrijf], op 13 juni 2025 heeft gemaakt van privé WhatsAppberichten tussen [verzoeker 1] en [verzoeker 2]. In die berichten hebben [verzoeker 1] en [verzoeker 2] zich negatief uitgelaten over het personeel van [bedrijf]/[verweerder], waaronder [betrokkene 3], [betrokkene 2] en de heer [betrokkene 4] (leidinggevende, hierna: [betrokkene 4]).
2.9.
Na afloop van het gesprek heeft [betrokkene 1] voorgesteld om de situatie de volgende ochtend met hem, de drie leidinggevenden en [verzoeker 1] en [verzoeker 2] (verder) te bespreken.
2.10.
Op 25 juni 2025 in de ochtend hebben [verzoeker 1] en [verzoeker 2] zich ziekgemeld.
2.11.
Op dezelfde dag om 12:53 uur heeft [betrokkene 3] [verzoeker 1] en [verzoeker 2] uit diverse whatsappgroepen van [bedrijf]/[verweerder] verwijderd met de mededeling dat zij per direct [bedrijf]/[verweerder] hebben verlaten.
2.12.
Op dezelfde dag om 15:15 uur hebben de gemachtigden van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] een e-mail verstuurd aan [bedrijf]/[verweerder] waarin onder andere bezwaar is gemaakt tegen de gang van zaken en is gesteld dat sprake is van een ernstige inbreuk op de privacy van [verzoeker 1] en [verzoeker 2], waarvan aangifte is gedaan.
2.13.
Op dezelfde dag om 17:48 uur heeft [betrokkene 1] [verzoeker 1] en [verzoeker 2] ieder afzonderlijk per e-mail geïnformeerd dat hun arbeidsovereenkomst niet zal worden verlengd en zal eindigen per 9 juli 2025 respectievelijk 26 november 2025. De (nagenoeg gelijkluidende) e-mails luiden als volgt:

De afgelopen maanden zijn er verschillende meetings geweest waarin er met elkaar gesproken is over het nieuwe te starten concept van [bedrijf]. In deze gesprekken kwam regelmatig naar voren dat de keuken ontevreden is over de kwaliteit van de leiding. (Dit werd vaak in de app geuit door [verzoeker 2] of [verzoeker 1]). We hebben toen afgesproken dat we werken als team, en als er dingen zijn die direct worden uitgesproken.
Helaas is er vorige week het volgende voorgevallen:
[betrokkene 3] had de laptop van [bedrijf] nodig om iets te checken voor een partij. Toen ze de laptop opende stond er een chat open tussen [verzoeker 1] en [verzoeker 2]. (Zie bijlage).
De conclusie van deze chat is dat er op geen enkele wijze vertrouwen is bij [verzoeker 1] en [verzoeker 2] in de leiding van [bedrijf]. Sterker nog dat collega’s zwart worden gemaakt en er geen enkel respect voor de collega’s is Wij hebben dit besproken met [verzoeker 1] en [verzoeker 2] op 24 juni j.l. en afgesproken dat we het er vandaag weer gezamenlijk over zouden hebben. Echter, je hebt je ziek gemeld.
Conclusie is dat het benodigde vertrouwen er niet meer is.
Bij deze wordt aangezegd dat het contract van […] niet wordt verlengd op […].”
2.14.
Vervolgens heeft een uitgebreide e-mailwisseling plaatsgevonden tussen (de gemachtigden van) [verzoeker 1] en [verzoeker 2] en [betrokkene 1] om tot een afwikkeling van het geschil te komen.
2.15.
Vanwege het einde van het dienstverband van [verzoeker 1] per 9 juli 2025 is door [bedrijf]/[verweerder] een eindafrekening opgesteld, waarbij de aanzeg- en de transitievergoeding is betaald.
2.16.
Op 25 juli 2025 heeft de bedrijfsarts geoordeeld dat [verzoeker 2] situationeel arbeidsongeschikt is.
2.17.
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] zijn met ingang van 1 september 2025 bij een andere werkgever in dienst getreden.

3.Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek

3.1.
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] verzoeken de kantonrechter om aan ieder van hen een billijke vergoeding toe te kennen van € 30.000,-. [verzoeker 2] verzoekt verder om [verweerder] te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding van € 1.278,41.
3.2.
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] voeren – kort samengevat – aan dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en verzoeken daarom een billijke vergoeding. Een collega van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] heeft privé WhatsAppberichten tussen [verzoeker 1] en [verzoeker 2] gelezen, gefotografeerd en verspreid met als doel om een vertrouwensbreuk in de onderneming te creëren. Deze op onrechtmatige wijze verkregen informatie is voor [verweerder] de directe aanleiding geweest om de arbeidsovereenkomsten niet te verlengen. Er is sprake van i) onrechtmatig handelen, ii) een inbreuk op de privacy, iii) schending van de AVG, iv) geen eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer ex artikel 8 EVRM, v) schending van goed werkgeverschap en vi) ernstig verwijtbaar handelen.
[verzoeker 2] heeft ook nog recht op een transitievergoeding.
3.3.
[verweerder] voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. [verweerder] voert – kort samengevat – primair aan dat geen sprake is van een inbreuk op de privacy. Toen [betrokkene 3] de zakelijke laptop openklapte stond het WhatsAppgesprek tussen [verzoeker 1] en [verzoeker 2] open op het scherm. In dat gesprek werd negatief en beledigend gesproken over diverse personen binnen [verweerder]/[bedrijf], waaronder zijzelf. Gezien de werk-gerelateerde inhoud van de berichten besloot [betrokkene 3] terecht om hiervan foto’s te maken en te delen met het management, zodat dit achteraf niet ontkend kon worden. [verzoeker 1] en [verzoeker 2] hebben dit over zichzelf afgeroepen door een privé WhatsAppgesprek, waarin zij zich negatief uitlaten over collega’s, op een zakelijke laptop te laten openstaan. Bovendien prevaleert in dit geval het belang van de waarheidsvinding.
3.4.
[verweerder] heeft een tegenverzoek gedaan. [verweerder] verzoekt veroordeling van [verzoeker 2] tot betaling van een zogenoemde gefixeerde schadevergoeding van € 14.926,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 september 2025. [verzoeker 2] heeft de arbeidsovereenkomst op 1 september 2025 tussentijds opgezegd, terwijl dat niet was toegestaan, aldus [verweerder].

4.De beoordeling van het verzoek

[verzoeker 2] heeft recht op een transitievergoeding
4.1.
Het verzoek van [verzoeker 2] om toekenning van een transitievergoeding wordt toegewezen. Hieronder wordt uitgelegd waarom.
4.2.
Voor het recht op een transitievergoeding is vereist dat de arbeidsovereenkomst na een einde van rechtswege op initiatief van werkgever niet is voortgezet. [1] In dit geval heeft [verweerder] [verzoeker 2] op 25 juni 2025 schriftelijk aangezegd dat de arbeidsovereenkomst, die van rechtswege op 26 november 2025 afloopt, niet zal worden voortgezet. Het initiatief lag dus bij [verweerder]. De omstandigheid dat [verzoeker 2] per 1 september 2025 een andere baan had gevonden, betekent niet dat het initiatief bij hem is komen te liggen. Dit is immers een rechtstreeks gevolg van het feit dat [verweerder] in een vroegtijdig stadium het einde van de arbeidsovereenkomst heeft aangezegd.
4.3.
Volgens [verzoeker 2] bedraagt de transitievergoeding € 1.278,41 bruto, waarbij hij is uitgegaan van een arbeidsduur van 26 september 2024 tot 1 september 2025. [verweerder] heeft dit niet weersproken. De kantonrechter sluit zich daarom aan bij deze berekening.
Er is sprake van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder]
4.4.
De grondslag van het verzoek tot toekenning van een billijke vergoeding is in deze zaak artikel 7:673 lid 9 aanhef en onder a BW. Op de zitting is duidelijk geworden dat tussen partijen niet langer in geschil is dit het verzoek tijdig is ingediend.
4.5.
In voornoemd artikel staat dat de kantonrechter aan de werknemer ten laste van de werkgever een billijke vergoeding kan toekennen, als na een einde van rechtswege, het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Dit betekent dat er een causaal verband moet zijn tussen ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever en het niet verlengen van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter is van oordeel dat in deze zaak daarvan sprake is. Daarom moet [verweerder] een billijke vergoeding aan [verzoeker 1] en [verzoeker 2] betalen. De kantonrechter legt hierna uit waarom.
4.6.
De kantonrechter stelt voorop dat de inhoud van een WhatsAppgesprek in beginsel dient te worden beschouwd als privé en valt onder de bescherming van artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Een werkgever mag niet zomaar kennis nemen van de inhoud van een WhatsAppgesprek van een werknemer. Voor een inmenging in dit privéleven moet er een dwingende maatschappelijke behoefte bestaan. [verzoeker 1] en [verzoeker 2] mochten er dan ook op vertrouwen dat berichten die in deze privé-context zijn verzonden niet door hun werkgever zouden worden gelezen, ook al waren deze berichten via WhatsApp Web op de zakelijke laptop in te zien..
4.7.
Vaststaat dat [verweerder] kennis heeft genomen van privé informatie waarvan [verzoeker 1] en [verzoeker 2] niet hebben gewild dat hun werkgever deze zou zien. Volgens [verweerder] heeft [verzoeker 2] hier zelf aan bijgedragen door het gesprek met [verzoeker 1] open te laten op de zakelijke laptop. [verzoeker 1] en [verzoeker 2] betwisten dat het gesprek openstond toen [betrokkene 3] de laptop openklapte en stellen dat [betrokkene 3] zich op heimelijke wijze toegang heeft verschaft tot hun privégesprek. Het is voor de kantonrechter feitelijk onduidelijk gebleven of [betrokkene 3] bewuste handelingen heeft verricht om toegang te verkrijgen tot het WhatsApp-gesprek tussen [verzoeker 1] en [verzoeker 2]. Wel staat zonder meer vast dat zij, nadat zij toegang had, gedurende geruime tijd door de berichten heeft gescrold en actief het gesprek heeft doorzocht. Vervolgens heeft zij zonder toestemming of overleg met [verzoeker 1] en [verzoeker 2] foto’s gemaakt van onderdelen van het gesprek en deze beelden gedeeld met [betrokkene 1], [betrokkene 2] en Samil.
4.8.
Hoewel [verzoeker 1] en [verzoeker 2] zich in deze conversatie op onbehoorlijke wijze hebben uitgelaten over collega’s, betreft het uitlatingen gedaan in een privé context, waarin zij er niet bedacht op hoefden te zijn dat hun werkgever daar kennis van zou nemen. Door vervolgens gebruik te maken van deze op onrechtmatige wijze verkregen privé berichten en daarop haar handelen te baseren, heeft [verweerder] een ongerechtvaardigde inbreuk gemaakt op het door artikel 8 EVRM beschermde recht van [verzoeker 1] en [verzoeker 2]. Deze inbreuk dient, gelet op zowel de wijze van verkrijging als het daaropvolgende gebruik van de berichten, als ernstig verwijtbaar te worden gekwalificeerd. [verweerder] heeft aangevoerd dat de inhoud van de berichten en de daardoor ontstane vertrouwensbreuk de ernst van de inbreuk relativeren. De kantonrechter kan zich voorstellen dat de teksten bij [verweerder] en collega’s hard zijn binnengekomen, maar dit rechtvaardigt niet de wijze waarop de privé communicatie is verkregen en gebruikt. De uitspraak van rechtbank Amsterdam [2] waar [verweerder] naar verwijst heeft een ander toetsingskader en is daarom niet vergelijkbaar met deze situatie. In die zaak ging het om een ontslag op staande voet en onrechtmatig verkregen bewijs.
4.9.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de inhoud van de WhatsApp-berichten en de daaruit door [verweerder] getrokken conclusies rechtstreeks hebben doorgewerkt in de beslissing om de arbeidsovereenkomsten niet te verlengen. [verweerder] heeft zelf bevestigd dat de ontstane vertrouwensbreuk — die uitsluitend het gevolg was van kennisname van de privé-berichten — bepalend was bij de keuze om de arbeidsovereenkomsten niet te verlengen. Daarmee staat vast dat zonder de ongerechtvaardigde inbreuk op de privacy van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] deze vertrouwensbreuk niet zou zijn ontstaan. Het causale verband tussen de privacy-schending en het niet-verlengen van de arbeidsovereenkomsten is daarmee direct en evident. Het niet-verlengen van de arbeidsovereenkomst is dus een rechtstreeks gevolg van het ernstig verwijtbaar handelen van werkgever. Op grond van artikel 7:673 lid 9 BW heeft werknemer recht op een billijke vergoeding.
[verweerder] moet een billijke vergoeding van € 2.000,- bruto per persoon betalen
4.10.
Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. [3] De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.
4.11.
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] vinden een billijke vergoeding van € 30.000,- per persoon passend, bestaande uit materiële en immateriële schade. [verweerder] meent dat zij geen aanspraak kunnen maken op een billijke vergoeding. De kantonrechter kent aan [verzoeker 1] en [verzoeker 2] ieder een billijke vergoeding toe van € 2.000,- bruto. Hieronder licht de kantonrechter toe welke omstandigheden daarbij zijn meegewogen.
Inkomensschade
4.12.
Bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding houdt de kantonrechter om te beginnen rekening met de te verwachten inkomensschade van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] als gevolg van het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst. In dat verband moet niet alleen ingeschat worden hoe lang de arbeidsovereenkomst naar verwachting zou hebben voortgeduurd als [verweerder] niet ernstig verwijtbaar zou hebben gehandeld, maar ook of en, zo ja, op welke termijn, [verzoeker 1] en [verzoeker 2] in staat geacht moeten worden andere inkomsten te verwerven en, zo ja, tot welk bedrag.
4.13.
Ten aanzien van de te verwachten resterende duur van het dienstverband hebben [verzoeker 1] en [verzoeker 2] geen concreet standpunt ingekomen. Het dossier bevat verder ook weinig aanknopingspunten waaruit die duur kan worden afgeleid. Gelet op de weerstand en alle frustraties bij [verzoeker 1] en [verzoeker 2] richting hun werkgever omdat de invoering van het nieuwe concept steeds werd uitgesteld, gaat de kantonrechter ervan uit, rekening houdend met goede en kwade kansen, dat de arbeidsovereenkomst met [verzoeker 1] hooguit nog drie maanden had voortgeduurd. Ten aanzien van [verzoeker 2] is de inschatting dat zijn arbeidsovereenkomst niet zou zijn verlengd na 26 november 2025. Verder staat vast dat [verzoeker 1] en [verzoeker 2] per 1 september 2025 tot ongeveer half oktober 2025 elders aan het werk zijn gegaan en daarna een andere baan (in Amsterdam) hebben gevonden. Omdat [verzoeker 1] en [verzoeker 2] niet anders hebben gesteld, gaat de kantonrechter ervan uit dat het loon dat zij bij hun nieuwe werkgevers verdien(d)en (ongeveer) gelijk is aan het loon dat zij bij [verweerder] zouden ontvangen. Evenmin is gesteld of gebleken dat sprake is geweest van een periode waarin [verzoeker 1] en [verzoeker 2] geen inkomsten hebben gegenereerd.
4.14.
De conclusie van het voorgaande is dat [verzoeker 1] en [verzoeker 2] geen substantiële inkomensschade hebben geleden. De omstandigheid dat [verzoeker 1] en [verzoeker 2] in staat zijn gebleken om snel een andere baan te vinden onderstreept bovendien dat sprake is van een gunstige arbeidsmarkt waarin zij, mede gelet op hun jonge leeftijd, redelijkerwijs in staat moeten worden geacht om snel ander werk te vinden en andere inkomsten te verkrijgen. De stelling dat meerdere sollicitaties (in [plaats]) geen resultaat hebben opgeleverd, is niet met stukken onderbouwd. De kantonrechter ziet daarom geen aanleiding om een noemenswaardige inkomenscomponent in de billijke vergoeding te betrekken.
Immateriële gevolgen
4.15.
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] hebben geen objectieve gegevens overgelegd waaruit volgt dat sprake is van concrete psychische schade of daadwerkelijke reputatieschade. De immateriële schade is aldus onvoldoende onderbouwd. Niettemin kan worden aangenomen dat het feit dat een collega zich toegang heeft verschaft tot privé communicatie en deze intern heeft gedeeld – hetgeen bovendien de directe aanleiding vormde voor de beslissing om de arbeidsovereenkomsten niet voort te zetten – bij [verzoeker 1] en [verzoeker 2] gevoelens van kwetsbaarheid, stress en ongemak heeft veroorzaakt. Hoewel er geen aanwijzingen zijn dat de betreffende berichten breder zijn verspreid dan onder degenen die er al mee bekend waren, is het goed voorstelbaar dat het feit dat er geen duidelijkheid is over welke informatie met wie is gedeeld, een gevoel van onzekerheid en gebrek aan controle meebrengt. Op de zitting heeft [verzoeker 2] toegelicht dat naast werk-gerelateerde zaken in de WhatsAppberichten met [verzoeker 1] ook veel gevoelige informatie over zijn privéleven stond. Het is de kantonrechter wel duidelijk geworden dat deze inbreuk de nodige impact heeft (gehad) op [verzoeker 1] en [verzoeker 2]. Deze immateriële gevolgen rechtvaardigen dat een bescheiden immateriële component wordt betrokken bij de vaststelling van de billijke vergoeding.
Mate van verwijtbaarheid en signaalfunctie
4.16.
[verweerder] heeft met haar handelwijze een ernstige schending van de privacy van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] begaan. Uit de stukken en ook op de zitting is niet gebleken dat [verweerder] zich voldoende bewust is van de ernst van de inbreuk. De billijke vergoeding heeft mede daarom ook een signaalfunctie.
Advocaatkosten
4.17.
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] verzoeken tevens om vergoeding van advocaatkosten van € 17.500,- als onderdeel van de billijke vergoeding. Uit vaste rechtspraak volgt dat deze kosten niet als zelfstandige schadepost via de billijke vergoeding kunnen worden verhaald, omdat zij vallen onder het proceskostenregime van artikel 237 e.v. Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Uitzonderlijke omstandigheden die een afwijking rechtvaardigen zijn niet gesteld of gebleken. De enkele omstandigheid dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, is in dit kader onvoldoende. Bovendien is deze schadepost op geen enkele manier onderbouwd.
Hoogte van de billijke vergoeding
4.18.
Alle gegeven omstandigheden in ogenschouw genomen, acht de kantonrechter een billijke vergoeding van € 2.000,- bruto per persoon passend. Hiermee worden [verzoeker 1] en [verzoeker 2] naar het oordeel van de kantonrechter in voldoende mate gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder].
Proceskosten
4.19.
De proceskosten komen voor rekening van [verweerder], omdat sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder]. De proceskosten van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] worden gezamenlijk begroot op € 1.681,00 (€ 732,00 aan griffierecht, € 814,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten). [verweerder] zal aan [verzoeker 1] en [verzoeker 2] ieder de helft van dit bedrag moeten betalen.

5.De beoordeling van het tegenverzoek

[verzoeker 2] hoeft geen gefixeerde schadevergoeding te betalen
5.1.
Het verzoek om toekenning tot een gefixeerde schadevergoeding wordt afgewezen. De kantonrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De wet bepaalt dat de partij die opzegt tegen een eerdere dag dan tussen partijen geldt aan de wederpartij een vergoeding verschuldigd is gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. [4]
5.3.
Zoals hiervoor al is overwogen, is de arbeidsovereenkomst van rechtswege geëindigd vanwege het besluit van [verweerder] op 25 juni 2025 om de arbeidsovereenkomst met [verzoeker 2] niet voort te zetten na 26 november 2025. Er is dus geen sprake van een onregelmatige opzegging door [verzoeker 2], ook niet door vóór de einddatum van de arbeidsovereenkomst een baan elders te accepteren.
Proceskosten
5.4.
De proceskosten komen voor rekening van [verweerder], omdat [verweerder] ongelijk krijgt. Gelet op nauwe samenhang met het verzoek ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te begroten op nihil.

6.De beslissing

De kantonrechter
op het verzoek ten aanzien van [verzoeker 1]
6.1.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker 1] een billijke vergoeding te betalen van € 2.000,- bruto;
6.2.
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 840,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;
6.3.
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad [5] ,
6.4.
wijst af het meer of anders verzochte,
op het verzoek ten aanzien van [verzoeker 2]
6.5.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker 2] een billijke vergoeding te betalen van € 2.000,- bruto;
6.6.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker 2] een transitievergoeding te betalen van € 1.278,41 bruto;
6.7.
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 840,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;
6.8.
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
6.9.
wijst af het meer of anders verzochte;
op het tegenverzoek
6.10.
wijst het verzoek af;
6.11.
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten, die worden begroot op nihil.
Deze beschikking is gegeven door mr. E. Jochem en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2025.

Voetnoten

1.Artikel 7:673 lid 1 sub a onderdeel c BW
2.Rechtbank Amsterdam 18 juni 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:3222
3.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2017, te vinden op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:HR:2017:1187 (
4.Artikel 7:672 lid 11 BW
5.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.