ECLI:NL:RBNHO:2025:15786

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
AWB - 24 _ 3659
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.12 Wet IB 2001Art. 27e AWRArt. 6:33 Wet IB 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2013 wegens verkapte winstuitdeling en omkering bewijslast

De zaak betreft een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over het jaar 2013 opgelegd aan eiser, die tevens bestuurder en aandeelhouder was van een BV. Verweerder stelde dat sprake was van verzwegen omzet via leveringen binnen de EU via UPS, die niet in de boeken van de BV waren verantwoord, wat leidde tot een verkapte winstuitdeling aan eiser. De rechtbank onderzocht of de navorderingsaanslag terecht was vastgesteld, of eiser de vereiste aangifte had gedaan, en of de bewijslast terecht was omgekeerd en verzwaard.

Uit het boekenonderzoek bleek dat er geen verkoopfacturen waren voor drie grote UPS-zendingen met mobiele telefoons, en dat de verklaringen van eiser en derden hierover niet geloofwaardig waren. De rechtbank oordeelde dat de omzet substantieel was verzwegen en dat de uitdeling aan eiser als aandeelhouder belast was. De schatting van de omzet en uitdeling door verweerder werd als redelijk beoordeeld. Eiser had onvoldoende tegenbewijs geleverd om de schatting te weerleggen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat de navorderingsaanslag terecht en correct was vastgesteld, en wees de overige grieven van eiser af. Wel kende de rechtbank een immateriële schadevergoeding toe van € 4.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarvan € 3.917 door verweerder en € 83 door de Staat te betalen. Daarnaast werd een proceskostenvergoeding van € 227 toegekend, te verdelen tussen verweerder en de Staat.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de navorderingsaanslag IB/PVV 2013 wegens verkapte winstuitdeling en omkering van de bewijslast.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/3659

uitspraak van de meervoudige kamer van 2 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [plaats 1] , eiser

(gemachtigde: mr. P. Le Heux),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2013 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.519, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 299.319 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil. Gelijktijdig is bij beschikking belastingrente ten bedrage van € 13.593 in rekening gebracht.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de navorderingsaanslag gehandhaafd.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2025 te Haarlem.
Namens eiser is zijn gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. [naam 1] , mr. [naam 2] en [naam 2] .

Overwegingen

Feiten
1. Eiser is vanaf 14 mei 2009 de onbeperkt bevoegde vennoot van v.o.f. [onderneming] (hierna: de vof). Bij de Kamer van Koophandel worden de activiteiten van de vof als volgt omschreven: Winkels in telecommunicatieapparatuur Detailhandel in telecomproducten (telefoons en accessoires).
2. Op 5 december 2012 wordt [onderneming] B.V. opgericht (hierna: BV). De activiteiten van de vof worden voortgezet door BV. Eiser is van 5 december 2012 tot 31 december 2021 enig bestuurder en enig aandeelhouder van BV.
3. Op 15 oktober 2014 kondigt verweerder aan een boekenonderzoek bij BV te starten ten aanzien van de omzetbelasting voor de periode 1 januari 2013 tot en met 31 januari 2015 en ten aanzien van de vennootschapsbelasting voor de periode 1 januari 2013 tot met 31 december 2014. Het boekenonderzoek is op 16 april 2015 gestart.
4. In het finale controlerapport van het boekenonderzoek van 2 mei 2019 is – voor zover relevant – het volgende opgenomen:

“4Omzetbelasting

(…)
4.3.1
Leveringen binnen de EU via UPS
Uit het onderzoek is gebleken dat er voor een groot aantal leveringen aan ondernemers in de Europese Unie geen facturen zijn uitgeschreven. Deze leveringen blijken uit de facturen van UPS voor vervoer van goederen aan ondernemers in de Europese Unie. De facturen van UPS zijn uitgereikt ten name van de onderneming van de belastingplichtige en bevinden zich in de administratie. Met betrekking tot deze verzonden goederen zijn er in de administratie geen facturen en boekingen van ontvangsten aangetroffen.
In het jaar 2013 gaat het om drie zendingen met een totaalgewicht van 314,3 kilogram, waarvoor geen facturen zijn uitgeschreven. Van één zending heeft belastingplichtige verklaard dat het ging om verzending van bagage voor een neef in [land 1] . Van een andere zending verklaarde de belastingplichtige dat deze verzending in opdracht van een andere leverancier is gedaan en dat de verrekening van de vervoerskosten contant, zonder uitreiking van factuur heeft plaatsgevonden.
Ik heb de belastingplichtige tot drie maal toe per e-mail/brief gevraagd naar stukken die deze bewering aannemelijk kunnen maken. De belastingplichtige heeft geen gegevens verstrekt die deze beweringen aannemelijk kunnen maken.
Ik stel mij op het standpunt dat het hierbij gaat om verkopen waarvan de ontvangsten niet zijn geboekt. Indien er aan ondernemers is geleverd is er niet aan de voorwaarden voldaan om het nultarief voor intracommunautaire leveringen te kunnen toepassen. Er zijn namelijk geen facturen uitgereikt, de BTW identificatienummers van de ondernemers zijn niet bekend en er is geen opgave listing gedaan voor deze leveringen. Aan het gewicht van de geleverde goederen per zending maak ik op dat het hier niet gaat om leveringen aan particulieren. Daarnaast blijkt regelmatig uit de omschrijving op de facturen van UPS van de naam van de afnemer, dat er aan bedrijven wordt geleverd. (….)
Op basis van bovenstaande zal ik over de jaren 2013 en 2014 omzet bijtellen. De verkoopprijs heb ik berekend op basis van de gegevens van de verkoopprijzen en de gewichten van de communautaire leveringen over de periode 14 januari 2014 tot en met 3 september 2014. De berekende gemiddelde verkoopprijs bedraagt € 929,75 per kilogram.
Jaar 2013
Voor het jaar 2013 is de correctie als volgt berekend:
totaal gewicht
VK prijs per KG
totaal ontvangsten
314,3
929,75
292.220,00
De totale ontvangsten zijn inclusief 21 procent omzetbelasting. De gecorrigeerde omzet wordt als volgt berekend:
totaal ontvangsten
breuk
correctie omzet
292.220,00
100/121
241.504,00
De totale ontvangsten zijn inclusief 21 procent omzetbelasting. De verschuldigde omzetbelasting wordt als volgt berekend:
totaal ontvangsten
breuk
correctie OB
292.220,00
21/121
50.715,00
Correctie verschuldigde omzetbelasting 2013:
€ 50.715
(…)
6 Vennootschapsbelasting
(…)
6.2 Correcties met betrekking tot het jaar 2014
Een aantal correcties voor de omzetbelasting betekenen voor de vennootschapsbelasting een verlaging van de winst. Deze systematiek is voor het jaar 2013 toegepast. De aanslagen over 2013 zijn eind 2018 opgelegd.
(…)
6.6.1
Leveringen binnen de EU via UPS
(…)
Jaar 2013
Voor het jaar 2013 is de correctie als volgt berekend:
totaal gewicht
VK prijs per KG
totaal ontvangsten
314,3
929,75
292.220,00
De totale ontvangsten zijn inclusief 21 procent omzetbelasting. De gecorrigeerde omzet/winst wordt als volgt berekend:
totaal ontvangsten
breuk
correctie omzet
292.220,00
100/121
241.504,00
Correctie meer winst 2013:
€ 241.504
(…)
6.9
Beoordeling kosten
(…)
6.9.4
Overige algemene kosten
In het jaar 2013 wordt een bedrag van € 7.100 geboekt op grootboek 46999 “
Overige algemene kosten” met als omschrijving “
donatie tempel i.o.m. GS/CD
Het bedrag is per bank betaald. (…) Als omschrijving wordt op het bankafschrift vermeld: “
Donatie [organisatie 2] 00369 recipt”.
Daarnaast is er nog een
reciptmet nummer 00369 in de administratie gevoegd. Uit dit recipt maak ik op dat dat er op 18 september 2013 een bedrag van € 7.100 in rekening is gebracht door [organisatie 1] te [land 2] aan [onderneming] .
De betaling aan het culturele centrum in [land 2] is niet aan te merken als bedrijfskosten en zal daarom worden gecorrigeerd.
Correctie 2013 meer winst
€ 7.100
(…)
7.1
Uitdeling aan aandeelhouder
Aangezien een aantal gecorrigeerde bedragen niet meer in de onderneming zit, wordt gesteld dat de genoemde bedragen inmiddels aan de aandeelhouder zijn uitgekeerd. Er zal een uitdeling verondersteld worden aan de aandeelhouder over de jaren 2013 en 2014.
De totaalbedragen [voor 2013] zijn gebaseerd op onderstaande uitsplitsing
paragraaf
onderwerp
jaar 2013
6.5.1
Leveringen binnen de EU via UPS
292.219
6.8.4
Overige algemene kosten
7.1
Totaal bedrag uitdeling
€ 299.319
Voor deze correcties met betrekking tot de uitdelingen en de gevolgen daarvan voor de inkomstenbelasting van de heer [eiser] zal een rapport aan de heer [eiser] worden verstrekt.”
Geschil
5. In geschil is of de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2013 terecht en tot de juiste hoogte is vastgesteld en of de belastingrente terecht en tot de juiste hoogte in rekening is gebracht. Tevens is in geschil of eiser de vereiste aangifte heeft gedaan en de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard.
6. Eiser stelt dat de vereiste aangifte is ingediend en dat geen sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast. De navorderingsaanslag is op onjuiste feiten gebaseerd, onzorgvuldig voorbereid, onvoldoende gemotiveerd en disproportioneel.
Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de navorderingsaanslag tot nihil, met dienovereenkomstige vermindering van de beschikking belastingrente.
7. Verweerder stelt dat sprake is van een uitdeling door BV aan eiser en dat de navorderingsaanslag terecht en tot de juiste hoogte is vastgesteld. Ook de belastingrente is terecht en tot de juiste hoogte in rekening gebracht. Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat de vereiste aangifte niet is gedaan en dat de navorderingsaanslag berust op een redelijke schatting.
Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
Beoordeling van het geschil
Vooraf
8. Gelet op de strafrechtelijke veroordeling van eiser voor onder meer het feitelijke leidinggeven aan het doen van onjuiste BTW-aangiften en het niet voeren van een deugdelijke administratie voor onder andere het jaar 2013 (rechtbank Amsterdam 23 januari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:551), overweegt de rechtbank dat de strafrechter en de belastingrechter onafhankelijk van elkaar oordelen over de aan hen voorgelegde feiten en bewijsmiddelen (vgl. HR 19 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA1946). Indien een belanghebbende in een fiscale procedure ontkent bepaalde feiten te hebben gepleegd en daaruit inkomsten te hebben genoten, dient de belastingrechter zich daaromtrent zelfstandig een oordeel te vormen en mag hij niet zonder meer afgaan op hetgeen de strafrechter (al dan niet) bewezen heeft geacht (vgl. HR 8 augustus 2014, ECLI:NL:HR:2014:2146). Daarbij geldt dat het belastingrecht eigen regels omtrent bewijs en bewijslastverdeling kent. De rechtbank merkt hierbij op dat zij zich voor de beoordeling van de zaak niet heeft gebaseerd op het genoemd vonnis van rechtbank Amsterdam en dat het strafdossier ook niet behoort tot de op de zaak betrekking hebbende stukken.
9. Uit het verhandelde ter zitting heeft de rechtbank begrepen dat eiser tegen genoemd vonnis hoger beroep heeft ingesteld en dat eiser om die reden en met oog op zijn recht om niet mee te werken aan zelfincriminatie, geen (verdere) verklaringen wil afleggen in de thans voorliggende belastingzaak. De rechtbank is van oordeel dat het niet verschijnen voor rekening van eiser dient te blijven nu thans geen boete in geschil is en zo nodig met het oog op de strafprocedure voorzieningen hadden kunnen worden getroffen om in de vereiste waarborgen te voorzien (vgl. HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3640, rechtsoverwegingen 3.7 en 3.8).
Toetsingskader winstuitdeling
10. De door verweerder voorgestane correctie berust op de stelling dat sprake is van een verkapte of vermomde winstuitdeling van BV aan eiser. De rechtbank zal eerst het fiscale toetsingskader ter zake van winstuitdelingen uiteenzetten.
11. Artikel 4.12 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
“Inkomen uit aanmerkelijk belang is het gezamenlijke bedrag van:
a. de voordelen die worden getrokken uit tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen (reguliere voordelen), verminderd met de aftrekbare kosten (…).”
12. Tot genoemde reguliere voordelen worden ook verkapte winstuitdelingen gerekend. Volgens vaste jurisprudentie is een winstuitdeling een bevoordeling van de aandeelhouder als zodanig, die kan plaatsvinden uit winst of winstreserves van de vennootschap dan wel in het vooruitzicht van te maken winst, waarbij de aandeelhouder en de vennootschap zich bewust zijn, of redelijkerwijs bewust hebben moeten zijn, van de bevoordeling en de aandeelhouder de bevoordeling in zijn hoedanigheid van aandeelhouder heeft aangenomen (vgl. HR 8 juli 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2193 en HR 24 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0411). Op verweerder, die stelt dat sprake is van een winstuitdeling, rust in dezen de bewijslast.
Toetsingskader omkering en verzwaring bewijslast
13. Naast de gestelde winstuitdeling neemt verweerder het standpunt in dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard wegens het niet doen van de vereiste aangifte. Artikel 27e, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien de vereiste aangifte niet is gedaan, de rechtbank het beroep van de belastingplichtige ongegrond verklaart, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is.
14. Volgens vaste jurisprudentie kan bij inhoudelijke gebreken in de aangifte slechts dan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan als sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting zowel absoluut als relatief bezien aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Bij de beoordeling of hieraan is voldaan moeten alle feiten en omstandigheden in aanmerking worden genomen. Bij de beoordeling of de vereiste aangifte is gedaan, dient de aangifte als geheel in aanmerking te worden genomen. Dat de vereiste aangifte niet is gedaan, dient de inspecteur volgens de regels van normale bewijslastverdeling aannemelijk te maken (zie HR 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083, HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1083 en HR 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1312).
15. Inhoudelijke gebreken in de aangifte leiden alleen tot de conclusie dat de vereiste aangifte niet is gedaan als de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast (zie HR 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083).
16. Toepassing van artikel 27e, eerste lid, van de AWR leidt derhalve tot omkering en verzwaring van de bewijslast. Dit laat echter onverlet dat de navorderingsaanslag niet naar willekeur mag worden vastgesteld maar moet berusten op een redelijke schatting. Het ligt dan vervolgens op de weg van eiser om, voor zover hij de juistheid van de schatting van verweerder betwist, daarvoor (tegen)bewijs te leveren op de in artikel 27e van de AWR bedoelde wijze (vgl. HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184).
17. Verweerder stelt dat BV omzet heeft verzwegen en dat deze omzet “
niet meer in de onderneming zit” waardoor sprake is van een winstuitdeling. De verzwegen omzet en daaraan gekoppelde uitdeling zijn volgens verweerder dermate hoog dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting zowel absoluut als relatief bezien aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting en eiser zich hiervan bewust moet zijn geweest.
18. Dit betekent dat de rechtbank achtereenvolgens zal moeten beoordelen of:
  • i) er sprake is van een winstuitdeling;
  • ii) de uitdeling zo hoog is, waarvan eiser zich bewust moet zijn geweest, dat de vereiste aangifte niet is gedaan; zo ja,
  • iii) eiser het verzwaarde tegenbewijs heeft geleverd; en
  • iv) de door verweerder bepleite hoogte van de uitdeling is gebaseerd op een redelijke schatting.
( i)
Is er sprake van een uitdeling?
19. De beweerdelijk verzwegen omzet en de daaraan gekoppelde uitdeling zijn gebaseerd op drie facturen van UPS die in de administratie van BV zijn aangetroffen en waarvoor geen verkoopfacturen aanwezig zijn.
Eerste UPS-factuur (11-12-2013): 110 kg naar [bedrijf 1] in [plaats 2] , [land 1]
20. Ter zake van deze verzending is geen verkoopfactuur aanwezig. Eiser verklaart dat de klant de telefoons persoonlijk in de winkel in Nederland heeft gekocht, contant heeft betaald en dat een kassabon is uitgereikt. De telefoons zijn vervolgens via UPS naar [plaats 2] verscheept. Ondanks herhaald verzoek van verweerder in 2015 en 2016 hebben BV of eiser nimmer nadere informatie aangeleverd. Eerst op 26 februari 2019 bij de nadere motivering tegen de naheffingsaanslag omzetbelasting en de navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 2013 produceert BV een verklaring per e-mail van [bedrijf 1] van 23 februari 2019 waarin wordt verklaard dat:
“I hereby confirm that on december 2013, I purchased merchandise from Mr. [eiser] . The goods are paid in cash I instructed to send the goods via UPS to my address.”
21. Het ondanks herhaald verzoek eerst aanleveren van de verklaring in de bezwaarfase doet naar het oordeel van de rechtbank afbreuk aan de geloofwaardigheid ervan. Bovendien gaat eiser geheel voorbij aan het feit dat als zijn verklaring als juist zou worden beschouwd er dan vanuit moet worden gegaan dat sprake is van een contante betaling door [bedrijf 1] tegen uitreiking van een kassabon. Deze kassabon had zich dan in de administratie van BV moeten bevinden en de op deze wijze gerealiseerde omzet had in de boeken van BV moeten zijn verantwoord. Uit het boekenonderzoek blijkt echter dat dit niet het geval is. De rechtbank constateert dan ook dat ten aanzien van de UPS verzending naar [bedrijf 1] sprake is van verzwegen omzet, welke - gelet op het gewicht van de verzending - substantieel zal zijn geweest.
Tweede UPS-factuur (18-12-2013): 162,8 kg naar [naam 3] in [plaats 3] , [land 1]
22. Ook terzake van deze verzending is geen verkoopfactuur aanwezig en ook hier heeft BV nimmer nadere informatie aangeleverd. Het betreft een verzending van vijf dozen naar [naam 3] in [plaats 3] , [land 1] . Eiser stelt dat hier sprake is van een verzending van huisraad voor een neef in [land 1] . Omdat BV grote korting kreeg bij UPS, heeft BV deze goederen voor de neef verzonden. Ook hier komt BV eerst in de bezwaarfase met een verklaring. Op 28 december 2018 verklaart [naam 3] per e-mail het volgende:
“ [eiser] is my cousin. He sent my parcel which had some of personal belongings for household via UPS om December 18th. He did this because it is cheaper for me and paid him back in cash later. I am not living in that address any more so I cant provide any address proof for that address where parcel were sent.
There were 2 red colour suitcases with some clothes and household stuff in it.”
23. De neef geeft in eerste instantie heel specifiek aan dat het gaat om de verscheping van twee rode koffers met persoonlijke huishoudspullen. De UPS-factuur betreft echter de verscheping van 5 dozen. De rechtbank gaat ervan uit dat eiser deze discrepantie ontdekt en dat hij [naam 3] vraagt een nieuwe verklaring af te geven, hetgeen hij doet op 6 februari 2019:
“I hereby confirm [naam 3] that I was using the UPS account of Mr. [eiser] concerning to the transport of 4 of 5 parcels with clothes and furniture to the address where I lived at that time.”
24. De rechtbank is van oordeel dat de wijziging van de verklaring ernstig afbreuk doet aan de geloofwaardigheid daarvan. Daar komt bij dat er volgens de tweede verklaring sprake is van de verzending van dozen met kleding en meubels. Gelet op de in de UPS-factuur genoemde grootte van de dozen acht de rechtbank het onwaarschijnlijk dat sprake is van de verzending van meubels (“
furniture”). Het feit dat de verklaring eerst in 2019 is afgegeven, terwijl verweerder reeds in 2015 en 2016 expliciet om nadere informatie heeft verzocht, doet ook twijfels rijzen aan de geloofwaardigheid van de verklaring. De rechtbank is daarom van oordeel dat het meer voor de hand ligt dat het bij deze factuur gaat om een voor BV gebruikelijke verzending van telefoons, welke door BV zijn verkocht en welke bij BV hebben geleid tot omzet.
Derde UPS-factuur (20-11-2013): 41,5 kg naar [bedrijf 2] in [plaats 4] , [land 3]
25. Ter zake van deze UPS-verzending merkt eiser op dat dit een vriendendienst betreft voor de eigenaar van [bedrijf 2] in [land 3] , een vaste klant van BV. De eigenaar van [bedrijf 2] had bij een derde een partij telefoons gekocht en heeft aan BV gevraagd deze voor hem naar [land 3] te verzenden.
26. Ondanks herhaald verzoek om een nadere onderbouwing, wordt deze niet aangeleverd door BV en ook niet door eiser zelf. Indien dit inderdaad een vriendendienst betreft, zoals eiser stelt, dan vermag de rechtbank niet in te zien waarom de ontvanger van de goederen niet bereid of in staat is gebleken om een verklaring af te leggen die de bewering van eiser ondersteunt. Het argument van eiser dat het voorhands niet gelukt is om contact te leggen met [bedrijf 2] , acht de rechtbank niet geloofwaardig, met name niet omdat [bedrijf 2] een vast klant is van BV. Nu eiser geen enkele nadere onderbouwing aanlevert, acht de rechtbank de verklaring van eiser niet geloofwaardig. De rechtbank is van oordeel dat hier sprake is van een reguliere verzending van telefoons naar een vaste klant in [land 3] waarvoor geen verkoopfactuur aanwezig is, waardoor er sprake is van verzwegen omzet.
27. Verweerder stelt dat de verzwegen omzet “
niet meer in de onderneming zit” en dat het daarom aannemelijk is dat deze gelden bij eiser als directeur-grootaandeelhouder van BV zijn terechtgekomen. Ook aan het dubbele bewustheidsvereiste is volgens verweerder voldaan.
28. Nu de rechtbank van oordeel is dat er omzet is gerealiseerd die niet in de boeken van de vennootschap is verantwoord en derhalve niet in het eigen vermogen van BV is opgenomen, volgt de rechtbank het standpunt van verweerder dat sprake is van een uitdeling welke aan eiser is ten goede gekomen in zijn kwaliteit van enig aandeelhouder van BV. Aangezien de uitdeling afkomstig is uit verzwegen omzet, kan deze uitdeling geacht worden te hebben plaatsgevonden uit de winst of winstreserves van de vennootschap. Eiser en BV moeten zich – mede gelet op de positie van eiser als enig bestuurder en feitelijk leidinggevende van BV – daarvan bewust zijn geweest zodat sprake is van een belaste winstuitdeling (vgl. Hof Arnhem 27 april 2007, ECLI:NL:GHARN:2007:BA5606).
( ii)
Heeft eiser de vereiste aangifte gedaan?
29. De door eiser ontvangen winstuitdeling moet worden begrepen in zijn box 2-inkomen en is belast tegen 25% (tarief 2013). De volgens de aangifte verschuldigde belasting bedraagt € 8.228. Verweerder wijst naar het arrest van de Hoge Raad van 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1083, waarin de Hoge Raad oordeelde dat sprake kan zijn van zowel absoluut als relatief bezien aanzienlijk lagere belasting als de belasting over het niet aangegeven inkomen absoluut € 2.101 en relatief 19% van de volgens de aangifte verschuldigde belasting bedraagt. Nu de absolute ondergrens hier hoger ligt dan de relatieve, gaat verweerder uit van een additionele belasting van minimaal € 2.101 om te kunnen constateren dat de vereiste aangifte niet is gedaan. Bij een belastingtarief van 25% resulteert een winstuitdeling van € 8.404 in een additionele belasting van € 2.101.
30. De rechtbank constateert dat de additionele omzet en winstuitdeling zijn gebaseerd op de drie UPS-zendingen, waarvan zij aannemelijk acht dat dit zendingen van mobiele telefoons van in totaal 314,3 kilogram betreft. Aangezien er sprake is van een verzending van telefoons, deelt de rechtbank de opvatting van verweerder dat BV met deze drie zendingen een additionele omzet zal hebben gerealiseerd die aanmerkelijk hoger zal zijn dan € 8.404. De winstuitdeling zal dan ook ruimschoots hoger zijn dan € 8.404, zodat de additioneel verschuldigde belasting hoger zal zijn dan € 2.101. Eiser, die aandeelhouder en bestuurder van BV was moet zich hiervan bewust zijn geweest ten tijde van het doen van de aangifte IB/PVV 2013.
31. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van dusdanige gebreken in de aangifte dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Ook heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat het op zichzelf bezien, dus in absolute zin, gaat om een aanzienlijk bedrag dat ten onrechte niet is aangegeven en dat eiser zich hiervan bewust moet zijn geweest ten tijde van het doen van de aangifte. Dit brengt mee dat eiser de vereiste aangifte niet heeft gedaan, ten gevolge waarvan de bewijsregel van artikel 27e van de AWR (omkering en verzwaring van de bewijslast) toepassing vindt.
( iii)
Heeft eiser het verzwaarde tegenbewijs geleverd?
32. Eiser heeft ter zitting geklaagd over de stelling van verweerder dat sprake is van verzwegen omzet en een uitdeling. Nu sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast moet eiser doen blijken, dat wil zeggen overtuigend aantonen, dat de uitdeling niet heeft plaatsgevonden of niet tot de juiste hoogte is vastgesteld.
33. Ten aanzien van de zendingen aan [bedrijf 1] en [naam 3] heeft eiser geen inhoudelijke gronden aangevoerd tegen de hoogte van de geschatte omzet en tegen de constatering dat sprake is van een uitdeling, zodat hij voor wat betreft zijn klacht over de uitdeling ten aanzien van deze zendingen niet heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast. Ten aanzien van de verzending naar [bedrijf 2] in [land 3] heeft eiser aangevoerd dat voor zover ter zake van deze verzending moet worden uitgegaan van verzwegen omzet en een uitdeling, dat de schatting van verweerder niet redelijk is. Deze klacht zal de rechtbank behandelen bij de vraag of de schatting redelijk is.
( iv)
Is de hoogte van de uitdeling gebaseerd op een redelijke schatting?
34. De navorderingsaanslag mag, ondanks de omkering en verzwaring van de bewijslast, niet naar willekeur worden vastgesteld maar moet berusten op een redelijke schatting. In dat kader rust op verweerder de taak zijn schatting van het inkomen zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan (vgl. HR 27 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0401).
35. Verweerder heeft zijn schatting gebaseerd op de uitkomsten van het boekenonderzoek. Aangezien niet in geschil is dat BV in totaal 314,3 kilogram aan pakketten heeft verzonden waarvan aannemelijk is dat de inhoud van de verzending bestaat uit telefoons, dient te worden vastgesteld of de door verweerder gehanteerde geschatte omzet van € 929,75 per kilogram redelijk is. Verweerder heeft de verkoopprijs van de drie UPS-zendingen van november en december 2013 berekend op basis van de gegevens van de verkoopprijzen en de gewichten van de communautaire leveringen over de periode 14 januari 2014 tot en met 3 september 2014. De berekende gemiddelde verkoopprijs van de in die periode verzonden pakketten bedraagt € 929,75 per kilogram.
36. Verweerder is derhalve uitgegaan van concrete gegevens, namelijk daadwerkelijke facturen in een periode van acht maanden welke aansluit op de data waarop de drie UPS-zendingen hebben plaatsgevonden. De rechtbank acht deze schatting van de verkoopprijs per kilogram niet onredelijk, zodat ook de schatting van de totale verzwegen omzet van € 292.219 niet onredelijk is. Eiser voert voor wat betreft de verzending naar [bedrijf 2] aan dat rekening moet worden gehouden met een lagere verkoopprijs per kilogram omdat [bedrijf 2] in de regel goedkopere telefoons bestelt. Eiser heeft echter ter zake van de bewuste levering aan [bedrijf 2] geen verkoopfactuur of verklaring van de ontvanger noch enig ander bewijs aangeleverd, zodat eiser niet heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast om aan te tonen dat de geschatte uitdeling te hoog is vastgesteld.
Totale bedrag van de uitdeling
37. Naast het bedrag van € 292.219 inzake de verzwegen omzet, omvat de uitdeling ook een bedrag van € 7.100 dat door BV is betaald aan een [land 2] [organisatie 2] . Eiser stelt dat sprake is van een zakelijke uitgave ingegeven door het feit dat veel van de cliënten van BV deel uitmaken van de [land 2] [gemeenschap] . Eiser heeft deze stelling niet met nader bewijs onderbouwd. Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat geen sprake is van bedrijfskosten en heeft de aftrek van dit bedrag voor de vennootschapsbelasting geweigerd. Nu eiser de zakelijkheid van de betaling door BV niet aannemelijk heeft gemaakt, laat staan overtuigend heeft aangetoond, is de rechtbank van oordeel dat de betaling door BV moet worden aangemerkt als een onzakelijke schenking. Als een vennootschap een onzakelijke schenking doet ten behoeve van haar aandeelhouder, is sprake van een (vermomde) winstuitdeling (vgl. Hof Amsterdam 27 maart 1996, ECLI:NL:GHAMS:1996:AW0458). Gelet op de positie van eiser als enig bestuurder en enig aandeelhouder van BV, kan ervan worden uitgegaan dat eiser en BV hiervan bewust moeten zijn geweest. Het totale bedrag van de uitdeling wordt dan bepaald op € 299.319.
38. Eiser stelt dat als er ter zake van de schenking sprake is van een uitdeling door BV, hij dan mogelijk recht heeft op giftenaftrek in de inkomstenbelasting. Verweerder stelt dat de [land 2] religieuze instelling geen algemeen nut beogende instelling (ANBI) is als genoemd in artikel 6:33, onderdeel b, van de Wet IB 2001 en dat alleen recht bestaat op giftenaftrek indien sprake is van een gift aan een ANBI. Gelet op hetgeen verweerder stelt dient eiser aannemelijk te maken dat de betreffende [land 2] religieuze instelling de ANBI-status heeft. Eiser heeft dit niet gedaan. Dit betekent dat voor de Wet IB 2001 de gift niet kwalificeert als een aftrekbare gift.
Overige grieven eiser
39. Eiser concludeert in zijn beroepschrift dat de uitspraak op bezwaar is gebaseerd op onjuiste feiten, onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende gemotiveerd is. Eiser onderbouwt deze conclusie niet. De rechtbank stelt vast dat de door verweerder geconstateerde uitdeling is gebaseerd op een uitvoerig gedocumenteerd en gemotiveerd boekenonderzoek voor de omzetbelasting en de vennootschapsbelasting. Van onjuiste feiten, onzorgvuldige voorbereiding of onvoldoende motivering is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.
40. Eiser stelt ook dat, gelet op zijn relatief lage inkomen, de afwezigheid van vermogen en de aanwezigheid van aanzienlijke schulden, de correctie in box 2 voor hem disproportioneel is. Eiser onderbouwt deze stelling niet met nader bewijs over zijn huidige financiële positie. De rechtbank begrijpt deze stelling aldus dat de aanslag voor hem een individuele en buitensporige last vormt. Ter zitting wijst verweerder op nieuwe zakelijke activiteiten van eiser via een andere BV waar eiser bij betrokken is. Deze BV realiseert al enige jaren aanzienlijke omzetten. Dit betekent nog niet dat deze BV ook winst maakt welke aan eiser zou kunnen worden uitgekeerd, maar deze door verweerder aangeleverde informatie trekt wel de verklaring van eiser in twijfel. Bovendien moet, nu de rechtbank oordeelt dat sprake is geweest van een uitdeling van € 292.219 wat betreft verkoop en levering van mobiele telefoons, eiser ook in privé over deze inkomsten hebben beschikt. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding de navorderingsaanslag te verminderen vanwege een individuele en buitensporige last, nu eiser niet heeft doen blijken dat hiervan sprake is.
Belastingrente
41. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Eiser heeft geen zelfstandige klachten geformuleerd over het in rekening brengen van of de hoogte van de belastingrente. De rechtbank ziet geen aanleiding tot vermindering van de belastingrente.
Slotsom
42. Nu de rechtbank van oordeel is dat verweerder de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2013 terecht en tot de juiste hoogte heeft vastgesteld en ook de overige grieven van eiser geen doel treffen, zal de rechtbank het beroep van eiser ongegrond verklaren.
Immateriële schade
43. Eiser heeft ter zitting verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. In belastingzaken heeft als regel te gelden dat voor de behandeling van het bezwaar een termijn geldt van een half jaar en voor de behandeling van het beroep een termijn van anderhalf jaar (vgl. HR 22 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX6666). Het bezwaarschrift is op 7 december 2018 door verweerder ontvangen. De rechtbank doet op 2 december 2025 uitspraak, zodat de bezwaar- en beroepsfase (afgerond) zeven jaar heeft geduurd. Daarmee is sprake van overschrijding van de redelijke termijn met vijf jaar. Ter zitting heeft eiser aangegeven dat van deze overschrijding één jaar is toe te rekenen aan eiser zelf zodat in zijn optiek de redelijke termijn met vier jaar (48 maanden) is overschreden. Verweerder geeft ter zitting aan hiermee akkoord te gaan. De rechtbank volgt partijen hierin.
44. Voor de bepaling van de hoogte van de toe te kennen vergoeding van immateriële schade is de mate waarin een belanghebbende daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondervonden in beginsel niet van belang, behoudens bijzondere omstandigheden. Van dergelijke omstandigheden is de rechtbank in onderhavige zaak niet gebleken. Dit betekent dat eiser recht heeft op een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 4.000. Nu de uitspraak op bezwaar is gedaan op 2 mei 2024, heeft de bezwaarfase afgerond 65 maanden geduurd. Dit is een overschrijding van de redelijke termijn van de bezwaarfase met 59 maanden. Hiervan zijn 12 maanden toe te rekenen aan eiser zelf, zodat sprake is van een overschrijding toe te rekenen aan de bezwaarfase van 47 maanden. Het restant van de overschrijding van de redelijke termijn (1 maand) is dan toe te rekenen aan de beroepsfase. Verweerder dient daarom een bedrag van 47/48 van € 4.000 = € 3.917 te vergoeden. De Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en veiligheid) moet de rest, dus € 83 vergoeden. De rechtbank zal verweerder en de Staat veroordelen deze bedragen te betalen.
Proceskosten en griffierecht
45. De rechtbank ziet wegens de overschrijding van de redelijke termijn aanleiding voor een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op afgerond € 227 (1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding met een waarde per punt van € 907 en wegingsfactor van 0,25 (vgl. HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526 en HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567). Deze kosten dienen bij helfte te worden vergoed door verweerder en de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en veiligheid).
46. Nu het beroep ongegrond zal worden verklaard en eiser het verzoek om immateriële schadevergoeding heeft gedaan ná 31 mei 2024 bestaat geen aanleiding tot vergoeding van het griffierecht (cf. HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, rechtsoverweging 7.1.1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade van eiser tot een bedrag van € 3.917;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en veiligheid) tot vergoeding van immateriële schade van eiser tot een bedrag van € 83;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 113,50; en
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en veiligheid) in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 113,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C. Brouwer, voorzitter, en mr. A.A. Fase en
mr. G.H. de Soeten, leden, in aanwezigheid van mr. M.B.K. Stroosnier, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 december 2025.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).