ECLI:NL:RBNHO:2025:15830

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
HAA 24/713 t/m 24/715
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:7 AwbArt. 8:117 AwbArt. 27e AWRArt. 8 AWRArt. 15e Wet Vpb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank bevestigt toepassing Profit Split-methode voor winsttoerekening vaste inrichting in buitenland

Eiseres, onderdeel van een groep die modulaire bruggen verkoopt en verhuurt, heeft een vaste inrichting in het buitenland waar zij een bruggenproject uitvoert. De kern van het geschil betreft de juiste methode voor winsttoerekening aan deze vaste inrichting voor de jaren 2018 tot en met 2020. Eiseres stelt toepassing van de Profit Split-methode (PSM) voor, terwijl verweerder de Transactional Net Margin-methode (TNMM) met een Net Cost Plus Margin als meer geschikt acht.

De rechtbank oordeelt dat de vaste inrichting een essentiële en waardevolle rol vervult in het project, met geïntegreerde activiteiten tussen het hoofdhuis en de vaste inrichting. De projectleider in het buitenland voert belangrijke taken uit die verder gaan dan routinematig toezicht, waaronder coördinatie, kwaliteitscontrole en risicobeheer. De rechtbank acht de PSM daarom een passende methode en wijst de TNMM af.

Verder wordt geoordeeld dat omkering en verzwaring van de bewijslast niet van toepassing zijn omdat eiseres niet bewust onjuiste aangiften heeft gedaan. De aanslagen vennootschapsbelasting worden verminderd tot de door eiseres opgegeven bedragen, en verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. De rechtbank behandelt de zaak inhoudelijk ondanks een formele onbevoegdheid wegens locatie van eiseres.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen gegrond en bevestigt de toepassing van de Profit Split-methode met een winsttoerekening van 30% aan de vaste inrichting.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: HAA 24/713 t/m HAA 24/715

uitspraak van de meervoudige kamer van 2 december 2025 in de zaken tussen

[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigden: mr. J.M.J. Francissen en mr. G.J. Hop),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

HAA 24/713
Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2018 een aanslag vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 5.065.665. Tevens is bij gelijktijdige beschikking een bedrag van € 70.775 aan belastingrente in rekening gebracht.
HAA 24/714
Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2019 een aanslag Vpb opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 2.387.155. Tevens is bij gelijktijdige beschikking een bedrag van € 53.711 aan belastingrente in rekening gebracht.
HAA 24/715
Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2020 een aanslag Vpb opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 609.191. Tevens is bij gelijktijdige beschikking een bedrag van € 5.921 aan belastingrente in rekening gebracht.
Alle zaken
Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Verweerder heeft bij de in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de bezwaren ongegrond verklaard.
Eiseres heeft daartegen beroepen ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2025 te Haarlem.
Namens eiseres zijn verschenen [naam 1] en [naam 2] , bijgestaan door haar gemachtigden en kantoorgenoot mr. [naam 3] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 4] , mr. [naam 5] , mr. [naam 6] en
drs. [naam 7] .
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde partijen in de gelegenheid te stellen tot een compromis te komen. Eiseres heeft bij bericht van 22 oktober 2025 medegedeeld dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt en dat zij de rechtbank verzoeken uitspraak te doen.
De rechtbank heeft bij bericht van 23 oktober 2025 medegedeeld het onderzoek te sluiten en binnen zes weken uitspraak te doen.

Overwegingen

Feiten
1. Eiseres is onderdeel van een groep die zich – onder andere – bezighoudt met de verkoop en verhuur van (modulaire) bruggen. Eiseres vormt een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting met [bedrijf 1] B.V., [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 3] B.V. (hierna tezamen aangeduid als ‘eiseres’).
Eiseres heeft ter verrichting van activiteiten in [land] aldaar een vaste inrichting (hierna: ‘VI’). Bij de VI was tot november 2019 één (fulltime) werknemer in dienst, na november 2019 twee werknemers en in 2020 drie werknemers. Tevens is er een gehuurde werkplek.
2. Eiseres is met het ministerie van Economische Ontwikkeling van [land] overeengekomen bruggen te bouwen en te leveren op verschillende locaties in [land] . Het betreft modulaire bruggen die ‘turn key’, inclusief funderingen, toegangswegen en installatie, worden opgeleverd (hierna: ‘het bruggenproject’). In juli 2015 is eiseres begonnen met het verschepen van bruggen naar [land] . Hierna zijn meerdere vervolgbestellingen geplaatst.
3. Het hoofdhuis in Nederland ontwerpt de modulaire bruggen, laat de bruggen door derden bouwen en exporteert de bruggen en het materieel naar [land] . Het eigendom op de brugonderdelen gaat tijdens de verscheping naar [land] over op de [land] overheid. Namens de VI is een projectleider werkzaam in [land] (hierna: ‘de projectleider’).
4. Tot de gedingstukken behoort een aantal overeenkomsten gesloten op
22 februari 2019 tussen eiseres en de [land] overheid. Deze overeenkomsten zien op de levering van (162) bruggen in wat door de contractspartijen wordt aangeduid als ‘Phase 5’ van het bruggenproject. In de ‘General Conditions of Contract’ is – voor zover relevant – het volgende opgenomen:
“4.1.
Contractor’s General ObligationsThe Contractor shall design (to the extent specified in the Contract), execute and
complete the Works in accordance with the Contract and with the Engineer’s
instructions, and shall remedy any defects in the Works.
(…)
The Contractor shall be responsible for the adeduacy, stability and safety of all Site
operations and of all methods of construction.
(…)
4.3
Contractor’s Reprsentative
The contractor shall appoint the Contractor’s Representative and shall give him all authority necessary to act on the Contractor’s behalf under the contract.
(…)
The whole time of the Contractor’s Representative shall be given to directing the
Contractor’s performance of the Contract.
(…)
The Contractor’s Representative may delegate any powers, functions and authority to
any competent person, and may at any time revoke the delegation.
(…)
4.4
Subcontractors
The Contractor shall not subcontract the whole of the Works.
The Contractor shall be responsible for the acts or defaults of any Subcontractor, his
agents or employees, as if they were the acts or defaults of the Contractor.”
5. Op 5 augustus 2019 zijn door eiseres met een onderaannemer, [bedrijf 4] Ltd (hierna: ‘de onderaannemer’), (back-to-back) overeenkomsten gesloten ter uitvoering van Phase 5 van het bruggenproject.
6. Tot de gedingstukken behoort een Transfer Pricing Report uit februari 2020 (hierna: ‘het TP-rapport’), opgesteld op verzoek van eiseres, waarin door middel van een ‘Functional and Comparability Analysis’ een ‘at-arm’s-length’-winst toe te rekenen aan de VI is bepaald voor de activiteiten in 2019. In het rapport wordt de Profit Split-methode als meest geschikte allocatiemethode aangemerkt, waarbij 30% van de winst aan de VI toegerekend dient te worden. In het TP-rapport is – voor zover relevant – het volgende opgenomen:
“B. Project Brief
(…)
B.8. Currently, [bedrijf 3] B.V. has agreed upon delivering an additional 200 bridges to the [land] government (referred to in contracts and invoices as “Phase 5”, which is the focus of this Transfer Pricing Report). As the company has been working in accordance with the contracts and actual conducts for all previous phases, this report is also servient to the determination of transfer pricing positions in previous years. Furthermore, the functions, risks and assets described in the following sections are based on the actual conduct of parties involved and the facts and circumstances at hand, which are based on previous phases as well as the current phase.
(…)
D. Functional Analysis
(…)
D. 3. Once the branch office in [land] was set up, the manager deputed to the branch officer has been managing part of the supply of the components and all the local aspects of the project in close cooperation with the local third party sub-contractor, selected and contracted by [bedrijf 3] NL from the very beginning of the project.
D. 4. With respect to the current phase of the project (phase 5) and all previous phases, [bedrijf 3] NL is responsible for the “off-shore” part of the contract, that is, ensuring that the materials required for constructing the bridges is supplied to [land] in accordance with the bridge-building schedule. [bedrijf 3] NL (more specifically: [bedrijf 3] BV) also provides support services for the parties involved in the project, whether they are located in [land] or
the Netherlands. These support services include HR, billing and logistical support services.
D.5. According to local personnel of [bedrijf 3] NL, the overall management of the project (with respect to the [land] operations as well as the Netherlands operations) can be said to be handled by the manager in [land] . The manager in [land] has the support of the Netherlands based team, with whom he communicates weekly. The team in the Netherlands consists of a specialist in sourcing (who is constantly in contact with the suppliers of
raw materials / producers of the components) and a specialist in logistics.
(…)
D.7. [bedrijf 3] [land] is primarily responsible for the “on-shore” portion of the project, which comprises of quality control, managing logistics and construction related activities. This mainly involves supervising the construction work, inspecting the bridges, all the related paper-work, obtaining final sign offs from 5 different local authorities and TOCs, collecting payments and dealing with the issues that arise in connection with these activities. The routine work for the manager in [land] involves dealing with all the issues that arise in connection with the “on-shore” portion of the project, which could relate to delays, quality, approvals, payments, injuries, environmental objections, etc. The manager in [land] is also involved in training of local personnel.
D.8. [bedrijf 3] [land] has the support of the local third party contractor with regard to all the aforementioned activities. The local third party contractor has a contract with [bedrijf 3] NL in this regard. This contract closely resembles [bedrijf 3] NL’s contract with the [land] government. Thereby, a large portion of the responsibilities, liabilities and risks involved in the contract are shared with/transferred to the local third party contractor, who is compensated in a significant manner.
(…)
E. COMPARABILITY ANALYSIS
(…)
Summary functions, risks and assets
E.4. Based on the analysis of the functions performed, the risks assumed and the assets used, it can be concluded that both [bedrijf 3] NL and [bedrijf 3] [land] make unique and valuable contributions to the transaction (building bridges in [land] ). The operations by both parties can also be regarded as highly integrated. (…)
F. SELECTION OF THE MOST APPROPRIATE TRANSFER PRICING METHOD
(…)
F.7. In terms of risk assessment, risk relating to raw materials and potential delays by suppliers is managed in the Netherlands. All other risks are jointly managed by [bedrijf 3] NL and [bedrijf 3] [land] , whereby the majority of the operational risks, such as delay risk, liability risk and environmental risk is managed in [land] . In terms of potential negative impact of risks, the risks relating to managing the supplies of raw materials (managed in the Netherlands) as well as the operational risks (managed in [land] ) are the most eminent risks that would have the largest impact.
F.8. The risks that are managed jointly by both [bedrijf 3] NL and [bedrijf 3] [land] are finance risk, supply risk (this relates to supply of the components / kits for installing the bridges at location), quality risk, delay risk and liability risk.
F.9. The activities of both [bedrijf 3] NL and [bedrijf 3] [land] are inextricably bound up with each other (in particular with regard to the engineering, supplies and quality management of the local construction works). Initial financing and government funding, supply of raw materials and the initial sales activities originate from the Netherlands, while functions and risks in [land] are more focussed on the operations and actual construction of the bridges as well
as a constant contact with the client, resulting in follow up contracts.
F.10. Based on the functional analysis, the distribution of FTE’s, the OPEX allocation, and the risk allocation we conclude that the operations in both countries are well-balanced. Given the mutual interdependence of the activities, i.e. the ability of [bedrijf 3] NL to supply materials in large quantities and engineering knowledge on the one hand and the capabilities of [bedrijf 3] [land] relating to operational management and training of the sub-contractor and all local sub-sub-contractors to construct the bridges on often remote and difficult building sites, the profit split method is selected as the most appropriate transfer pricing method.
(…)
F.16. Three splitting factors have been taken into account for determining a reasonable split for [bedrijf 3] NL and [bedrijf 3] [land] . The first factor is the cost-based factor. The cost-based splitting factor is often used in the joint performance of the value creating activities. (…)
F.17. The second splitting factor that has been considered is the people-based factor. When people functions are a key value driver to a specific business, either the factor of employee compensation and/or headcount could be used. The amount of employee compensation already reflects the relevant importance of each employee’s contribution. The remuneration for the manager would be even higher if the housing costs would be taken into account. The remuneration for the manager in [land] is substantial. This demonstrates the relative importance of the manager.
F.18. Finally, a contribution weighting has been performed on the basis of functional and risk analysis. (…)
F.19. In the current phase, the functions relate more on making sure the suppliers supply their components in time and manage any potential delays, perform quality control and managing logistics towards [land] (performed in the Netherlands) and operational functions in [land] (quality control in [hoofdstad] , managing logistics in [land] , managing local construction operations, training of local contractors and managing contacts
with the [land] government).
(…)
Final determination of the splitting factor
F.21. Considering the three splitting factors as described before, it is determined that an allocation of 30% of the operating (net) to [bedrijf 3] [land] . Based on the first two splitting factors, the allocation towards [bedrijf 3] [land] should be more in the range of 40%. Based on the third factor, however, it cannot be ignored that assets allocable to [bedrijf 3] NL are key to having the mandate from the [land] government in the first place. On the other hand, the operations would
not function without the involvement of the manager in [land] . In that respect it is undisputed that the profit split method is still the most appropriate transfer pricing method. In that respect, a profit split of 70/30 between the Netherlands and [land] is a fair outcome.”
7. Tot de gedingstukken behoren een ‘Local file 2019’ en een ‘Local file 2020’, opgesteld door eiseres. In het kader van een ‘sanity check’ is een ‘Benchmark Analysis’ opgesteld. Tot de gedingstukken behoort een zogenoemd ‘Benchmark Report’ uit april 2021 (hierna: ‘TP-benchmark’) waarin voor de activiteiten in 2019 een ‘at-arm’s-length’-range voor de winst toerekenbaar aan de VI wordt bepaald. Daarbij is gezocht in een database naar bedrijven die vergelijkbare activiteiten verrichten als de VI in de periode 2017 tot en met 2019. De zoektocht leidde tot elf vergelijkbare bedrijven. Daaruit volgt bij toepassing van de Transactional Net Margin Method met een Operating Margin een range van 11,23% tot 15,41% en een mediaan van 13,12%. Bij toepassing van de Transactional Net Margin Method met een Net Cost Plus Margin volgt een range van 12,65% tot 18,22% met een mediaan van 15,11%.
8. Tot de gedingstukken behoort een ‘Rural Bridges – Phase 5 Risk Management Plan’ van 3 mei 2018 waarin de risico’s in de verschillende fases van het bruggenproject geanalyseerd zijn en waarbij de kans dat het risico zich voordoet en de potentiële impact inzichtelijk is gemaakt. Ook bevat het dossier een risicoanalyse waarin met een ‘model toerekening risico’s’ eiseres inzichtelijk heeft gemaakt hoe de risico’s toegerekend kunnen worden aan het hoofdhuis of de VI. Uit deze risicoanalyse volgt dat 53,97% van de risico’s, rekening houdend met de risico-rating, aan de VI toegerekend kan worden.
9. Bij brief met dagtekening 18 november 2022 heeft eiseres een overzicht van de operationele kosten in [land] aan verweerder verstrekt (hierna: ‘de kostengrondslag’).
Aanslagfase
10. Eiseres heeft op 20 januari 2020 een aangifte Vpb 2018 ingediend naar een belastbaar bedrag van € 3.642.498. In de aangifte is bij objectvrijstelling buitenlandse ondernemingswinst een bedrag van € 1.450.536 opgenomen. Bij de aangifte heeft eiseres verzocht om afstemming omtrent de winst in [land] .
11. Eiseres heeft op 28 mei 2021 een aangifte Vpb 2019 ingediend naar een belastbaar bedrag van € 792.063. In de aangifte is bij objectvrijstelling buitenlandse ondernemingswinst een bedrag van € 1.694.766 opgenomen.
12. Eiseres heeft op 3 december 2021 een aangifte Vpb 2020 ingediend naar een belastbaar bedrag van € 386.204. In de aangifte is bij objectvrijstelling buitenlandse ondernemingswinst een bedrag van € 404.929 opgenomen.
13. Verweerder heeft de aanslagen in afwijking van de ingediende aangiften opgelegd. Daarbij heeft verweerder een lager bedrag onder de objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinst in aanmerking genomen omdat hij een lagere winst aan de VI toerekent.

Geschil14. In geschil is of de aanslagen tot de juiste bedragen zijn opgelegd. Meer specifiek is in geschil de hoogte van de objectvrijstelling en of bij de winstallocatie aan de vaste inrichting in [land] de Profit Split-methode (hierna: ‘PSM’) toegepast dient te worden of de Transaction Net Margin-methode (hierna: ‘TNMM’) met als ‘Profit Level Indicator’ een ‘Net Cost Margin’. Daaraan vooraf gaat de beantwoording van de vraag of omkering en verzwaring van de bewijslast toegepast dient te worden.

15. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de aanslagen naar onjuiste belastbare bedragen zijn opgelegd. Volgens eiseres dient voor de toerekening van winst aan de VI de PSM toegepast te worden. Eiseres staat een Profit Split van 70% (hoofdhuis) om 30% (VI) voor. Eiseres stelt dat de activiteiten van het hoofdhuis en de VI geïntegreerde en verweven activiteiten zijn. De projectleider verricht volgens haar essentiële werkzaamheden voor het behalen van het projectresultaat.
Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vermindering van de belastingaanslagen overeenkomstig de ingediende aangiften. Tevens maakt eiseres aanspraak op een proceskostenvergoeding.
16. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aanslagen tot de juiste bedragen zijn opgelegd en dat terecht een lager bedrag onder de objectvrijstelling in aanmerking is genomen. Verweerder betoogt dat de door eiseres gekozen PSM niet tot een zakelijke aan de VI toe te rekenen winst leidt. Volgens verweerder is de Profit Split niet de juiste methode omdat de werkzaamheden van de VI een routinematig en ondersteunend karakter hebben waarbij beperkte risico’s worden gelopen.
Verweerder staat toepassing van een TNMM met een Net Cost Plus Margin voor om een zakelijke winst aan de VI te alloceren. Verweerder hanteert een toerekening van 15% van de winst aan de VI en baseert zich daarbij op de TP-benchmark. Voor de kostengrondslag gaat verweerder uit van de door eiseres verstrekte kostenopstelling (zie onder 9.).
Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.
Beoordeling van het geschil
Bevoegdheid
17. Gelet op artikel 8:7, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: ‘de Awb’) is de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de indiener zijn woonplaats dan wel statutaire zetel heeft bevoegd. Eiseres is statutair gevestigd in [vestigingsplaats] ( [provincie] ). Dit betekent dat uitsluitend rechtbank Zeeland-West-Brabant bevoegd is om kennis te nemen van de onderhavige beroepen. Ter zitting heeft de rechtbank partijen voorgehouden dat in de rechtsmiddelverwijzing onder de uitspraken op bezwaar abusievelijk is vermeld dat eiseres beroep kan instellen bij de rechtbank Noord-Holland en dat de beroepen dus zijn ingesteld bij een onbevoegde rechtbank. Partijen hebben te kennen gegeven dat de zaken niet hoeven te worden verwezen naar rechtbank Zeeland-West-Brabant en zijn akkoord gegaan met behandeling van de beroepen door de rechtbank Noord-Holland. Met het oog op de proceseconomie en gelet op de mogelijkheid dat aan de onbevoegdheid van de rechtbank in hoger beroep wordt voorbijgegaan (artikel 8:117 van Pro de Awb) zal de rechtbank inhoudelijk op de beroepen beslissen en laat de rechtbank onbevoegdverklaringen achterwege.
Tardiefverklaring
18. Eiseres verzoekt de rechtbank een drietal standpunten die verweerder eerst heeft ingenomen in zijn pleitnota tardief te verklaren omdat deze standpunten eerder ingebracht hadden kunnen worden en eiseres onvoldoende tijd heeft gehad op de standpunten te reageren. Het gaat om de standpunten dat op basis van de geconsolideerde resultaten van de fiscale eenheid geconcludeerd kan worden dat sprake is van een onzakelijke overwinst op het bruggenproject, dat omkering en verzwaring van de bewijslast toegepast dient te worden en dat de belastingheffing in [land] door middel van een deemed profit-methode niet tot een ‘at-arm’s-length’ beloning voor de VI leidt.
19. De rechtbank acht het in strijd met de goede procesorde dat verweerder zich in zijn pleitnota, die twee dagen voorafgaand aan de zitting is overgelegd, op het standpunt heeft gesteld dat een onzakelijke overwinst is toegerekend aan het project in [land] en daarmee de VI. Verweerder heeft niet eerder de geconsolideerde resultaten van de fiscale eenheid aangehaald en de projectwinst was eerder niet in geschil. Door dit pas twee dagen voor de zitting aan te voeren en daarmee de hoogte van de projectwinst in het geschil te betrekken, heeft eiseres onvoldoende gelegenheid gehad om op dit nieuwe standpunt te reageren. Niet valt in te zien waarom dit standpunt niet eerder is opgeworpen dan in de pleitnota. De rechtbank zal daarom aan dit standpunt van verweerder, wat daar verder ook van zij, voorbijgaan.
20. De rechtbank acht het niet in strijd met de goede procesorde dat verweerder zich in zijn pleitnota op het standpunt heeft gesteld dat omkering en verzwaring van de bewijslast toegepast dient te worden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres voldoende tijd gehad om kennis te nemen van dit standpunt en voorbereidingen te treffen om tijdens de zitting met een reactie te komen. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat eiseres zelf reeds in haar nader stuk van 29 september 2025 is ingegaan op toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast. Eiseres heeft ter zitting, onder andere in de door haar overgelegde pleitnota, ook een inhoudelijke reactie gegeven op het standpunt. Gelet hierop bestaat geen reden het standpunt van verweerder dat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast als tardief buiten beschouwing te laten. Bovendien is de belastingrechter in feitelijke instantie gehouden de bewijslast om te keren en te verzwaren, ongeacht het standpunt van procespartijen daarover, indien de vaststaande feiten daartoe aanleiding geven (vgl. HR 9 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1150). Wat verweerder in zijn pleitnota heeft opgemerkt over de deemed profit-methode toegepast door [land] is naar het oordeel van de rechtbank geen nieuw ingenomen standpunt maar een aanvulling op eerdere standpunten. De rechtbank acht dit niet in strijd met de goede procesorde.
Omkering en verzwaring van de bewijslast
21. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of eiseres de vereiste aangiften heeft gedaan. Indien de vereiste aangifte niet is gedaan, dient de bewijslast te worden omgekeerd (artikel 27e, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: ‘AWR’)). Omkering en verzwaring van de bewijslast betekent dat eiseres moet doen blijken dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. Op grond van artikel 8 van Pro de AWR moet iedereen die daartoe is uitgenodigd duidelijk, stellig en zonder voorbehoud aangifte doen (de vereiste aangifte). Van het niet doen van de vereiste aangifte in de hiervoor bedoelde zin kan alleen sprake zijn indien de inspecteur de betrokkene heeft uitgenodigd tot het doen van aangifte (vgl. HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1268; HR 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:971 en HR 28 maart 1979, ECLI:NL:HR:1979:AX2688, BNB 1979/170). Dat de vereiste aangifte niet is gedaan, terwijl eiseres wel is uitgenodigd daartoe, dient verweerder volgens de regels van normale bewijslastverdeling aannemelijk te maken (zie HR 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083 en HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1083). Volgens vaste jurisprudentie heeft een belastingplichtige de vereiste aangifte niet gedaan indien sprake is van één of meer gebreken in de ingediende aangifte die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting zowel absoluut als relatief bezien aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting en de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven.
22. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het door eiseres toegepaste verrekenprijsmodel tot een resultaattoerekening leidt die dermate ver van de realiteit staat, dat eiseres de vereiste aangiften niet heeft gedaan. Volgens verweerder had eiseres zich van de onjuistheid van de verrekenprijsmethode bewust moeten zijn omdat voorafgaand aan het indienen van de aangifte overleg heeft plaatsgevonden met de inspecteur en de inspecteur daarbij het standpunt heeft ingenomen dat de toegepaste allocatiemethode niet tot een ‘at-arm’s-length’- toerekening leidt.
23. De rechtbank overweegt dat in een aangifte opgenomen onzakelijke verrekenprijzen tot de bewijsrechtelijke sanctie van artikel 27e van de AWR kunnen leiden als aan alle voorwaarden van dit artikel is voldaan (vgl. Gerechtshof Amsterdam
11 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1928). De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder de voor omkering en verzwaring van de bewijslast vereiste bewustheid bij eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiseres heeft een gemotiveerd standpunt ingenomen aangaande de winstallocatie aan de VI en welke allocatiemethode het meest geschikt is. Eiseres heeft het gebruik van de PSM uitvoerig en met Transfer Pricing-documentatie onderbouwd en verdedigd. Gelet hierop mocht eiseres redelijkerwijs menen dat zij een juiste aangifte deed. De vereiste bewustheid is daarom bij haar niet aanwezig. Dat verweerder in discussies over de belastingheffing over eerdere belastingjaren het standpunt heeft ingenomen dat winstallocatie met gebruik van een Cost Plus-methode moet plaatsvinden, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Het afwijkende standpunt van verweerder maakt namelijk niet dat eiseres haar standpunt niet langer in rechte zou kunnen bepleiten.
Objectvrijstelling - juridisch kader
24. In het onderhavige geval is sprake van een verdragssituatie. Artikel 7, tweede lid, van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de [land] tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen (hierna: ‘het Verdrag’) bepaalt:
“Onder voorbehoud van de bepalingen van het derde lid worden, indien een onderneming van een van de Staten in de andere Staat haar bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting, in elk van de Staten aan die vaste inrichting de voordelen toegerekend die zij geacht zou kunnen worden te behalen, indien zij een zelfstandige onderneming zou zijn die dezelfde of soortgelijke werkzaamheden zou uitoefenen onder dezelfde of soortgelijke omstandigheden en die geheel onafhankelijk transacties zou aangaan met de onderneming waarvan zij een vaste inrichting is.”
25. Artikel 23, tweede lid, van het Verdrag bepaalt over de wijze van voorkoming van dubbele belasting:
“Indien echter een inwoner van Nederland bestanddelen van het inkomen verkrijgt of vermogensbestanddelen bezit die volgens (…) artikel 7 (…) van deze Overeenkomst in [land] mogen worden belast en die in de in het eerste lid bedoelde grondslag zijn begrepen, stelt Nederland deze bestanddelen vrij door een vermindering van zijn belasting toe te staan. Deze vermindering wordt berekend overeenkomstig de bepalingen in de Nederlandse wetgeving tot het vermijden van dubbele belasting. (…)”
26. Artikel 15e, eerste en tweede lid, van de Wet Vpb (tekst geldend in de jaren 2018 tot en met 2020) luidt – voor zover relevant – als volgt:
“1. Bij de belastingplichtige met winst uit een andere staat wordt de winst verminderd met de positieve en de negatieve bedragen van de winst uit die staat (objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten).
2. Onder winst uit een andere staat wordt verstaan:
a. voor zover in de relatie tot de andere staat een verdrag van kracht is [tekst 2018-2019] / van toepassing is [tekst 2020] dat, (…), voorziet in een regeling voor de heffing over de bestanddelen van de winst van de belastingplichtige: het gezamenlijke bedrag van:
1°. de winst die toerekenbaar is aan een buitenlandse onderneming in die staat, zijnde een onderneming die, of een gedeelte van een onderneming dat, wordt gedreven met behulp van een vaste inrichting binnen het gebied van die staat;
(…)
voor zover Nederland op grond van dat verdrag (…), voor de winst uit een dergelijke onderneming, (…) zo deze winsten (…) positief zouden zijn, een vrijstelling ter voorkoming van dubbele belasting dient te verlenen;
(…)”
27. Op grond van artikel 23, tweede lid van het Verdrag dient Nederland een vrijstelling te verlenen voor de winst van de VI. De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van artikel 15e, eerste en tweede lid (onderdeel a), van de Wet Vpb en artikel 7 van Pro het Verdrag als winst van een vaste inrichting moet worden aangemerkt de naar Nederlandse fiscale maatstaven vastgestelde winst die de vaste inrichting zou hebben behaald als zij een onafhankelijke en zelfstandige onderneming zou zijn geweest die geheel onafhankelijke transacties zou aangaan met de onderneming waarvan zij een vaste inrichting is (vgl. HR 6 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:850, r.o. 4.2.5).
28. Naast dat de winst moet worden vastgesteld naar Nederlandse fiscale maatstaven, kan naar het oordeel van de rechtbank mede worden uitgegaan van de internationaal ontwikkelde invulling van de aan een buitenlandse onderneming toe te rekenen winst (
Kamerstukken II2011/12, 33 003, nr. 3, p. 92-93). Uit de totstandkomingsgeschiedenis en de bewoordingen van artikel 15e, eerste en tweede lid (onderdeel a), van de Wet Vpb en artikel 7, tweede lid, van het Verdrag volgt dat voor de toerekening van de winst aan een vaste inrichting aansluiting wordt gezocht bij het zogenoemde ‘arm’s length principle’. De rechtbank zal daarom, waar nodig, verwijzen naar de relevante onderdelen uit de OESO-rapporten ‘OECD Transfer Pricing Guidelines for Multinational Enterprises and Tax Administrations’ (januari 2022) (hierna: ‘TP-Guidelines’) en '2010 Report on the Attribution of Profits to Permanent Establishments' (zoals gepubliceerd in juli 2008 en aangepast in 2010) (hierna: ‘PE-rapport’).
Standpunten van partijen en overige uitgangspunten
29. Eiseres is in de door haar ingediende aangiften uitgegaan van een toerekening van 30% van de winst van aan de VI en 70% aan het hoofdhuis. Zij baseert zich hierbij op het TP-rapport waarmee dit wordt onderbouwd.
30. Verweerder stelt zich op het standpunt dat gelet op de werkzaamheden verricht door de VI een allocatie van winst aan de VI op basis van de TNMM met als Profit Level Indicator een ‘Net Cost Margin’ het meest geschikt is. Verweerder komt tot een toekenning van 15% van de winst aan de VI. Verweerder sluit daarbij aan bij de TP-benchmark en de kostengrondslag van de VI zoals verstrekt door eiseres, met uitsluiting van de kosten van de onderaannemer.
31. De rechtbank constateert dat partijen het oneens zijn over welke methode het meest geschikt is om een ‘at-arm’s length’-winst aan de VI te alloceren. De rechtbank overweegt dat de aard van de door de VI verrichtte activiteiten bepalend kan zijn voor welke methode het meest geschikt geacht kan worden. De rechtbank ontleent aan de TP-Guidelines (zie onder meer C.2.2.1. tot en met C.2.2.3) en het PE-rapport dat een PSM een geschikte allocatiemethode kan zijn in het geval sprake is van sterk geïntegreerde ondernemingsactiviteiten tussen het hoofdhuis en de VI, bij een unieke en waardevolle bijdrage van de VI of wanneer het hoofdhuis en de VI gezamenlijk economisch significante risico’s dragen. Ook ontleent de rechtbank aan de TP-Guidelines (zie onder meer B.1) en het PE-rapport dat de TNMM een geschikte allocatiemethode kan zijn bij het toerekenen van winst aan een partij die geen unieke en waardevolle bijdrage levert, terwijl de andere partij (het hoofdhuis) dat wel doet.
32. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres een beroep kan doen op artikel 15e van de Wet Vpb voor de zakelijke winst toerekenbaar aan de VI. Verweerder betoogt dat eiseres een onzakelijke winst toerekent aan de VI. Nu de rechtbank omkering van de bewijslast niet van toepassing acht, rust de bewijslast op verweerder om aannemelijk te maken dat de door eiseres toegepaste winstallocatie onjuist is en dat een onzakelijke winst aan de VI wordt toegekend (vgl. Hof Amsterdam 11 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1928, r.o. 5.6.3).
33. Partijen gaan er naar het oordeel van de rechtbank terecht van uit dat bij de winstallocatie aan een VI ten eerste de activa, risico’s en het vermogen gealloceerd moeten worden aan de VI op basis van een functionele analyse. Daarbij is van belang waar de ‘significant people functions’ worden uitgeoefend (zie het PE-rapport). Dit ziet op de personen die in de dagelijkse bedrijfsvoering activiteiten verrichten met betrekking tot het aangaan en beheren van risico’s en die daardoor een bepalende rol hebben. Vervolgens moet als tweede stap een winst worden bepaald die op basis van het ‘at-arm’s-length’-beginsel toerekenbaar is aan de VI.
Functionele analyse
34. Verweerder neemt evenals eiseres het TP-rapport als startpunt, maar partijen verschillen van mening over de conclusies die uit de functionele analyse getrokken kunnen worden. Verweerder stelt dat de risico’s voornamelijk aangegaan en beheerst zijn door het hoofdhuis en dat de beslissingen over de ‘significant people functions’ in Nederland zijn genomen. Daarnaast benadrukt verweerder dat de functies die betrekking hebben op het nemen van beslissingen over het aangaan en beheren van de risico’s van de activiteiten in [land] bij de onderaannemer liggen. Volgens verweerder zijn de werkzaamheden van de projectleider routinematig, bestaande uit toezichthouden en monitoren, en dit blijkt volgens verweerder ook uit de hoogte van zijn salaris. Verweerder wijst er daarnaast op dat de VI slechts marginale activa aanhoudt en dat het eigendom van de bruggen op het moment van verscheping overgaat op de [land] overheid.
35. De rechtbank overweegt dat de personen die in de relevante jaren de rollen van projectleider (in [land] ) en ‘Director projects’ in Nederland vervulden ter zitting namens eiseres uitvoerig hebben verklaard over de activiteiten die door de VI worden verricht in [land] en de rol die het hoofdhuis vervulde. De rechtbank acht deze verklaringen geloofwaardig en is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gesteld om deze beschrijving van werkzaamheden succesvol te betwisten. De gegeven verklaringen zijn coherent en stroken met wat contractueel en in het TP-rapport, Local file 2019 en Local file 2020 is vastgelegd. In het licht van de gegeven verklaringen overweegt de rechtbank dat de contractonderhandelingen weliswaar door het hoofdhuis zijn gedaan en dat het hoofdhuis een deel van de risico’s heeft afgedekt met een exportkredietverzekering, maar dat voor het succes van het bruggenproject de juiste uitvoering ter plaatse in [land] essentieel is geweest. De rol van de werkzaamheden verricht door de werknemers die toerekenbaar zijn aan de VI is hierin aanzienlijk. Deze werkzaamheden zien onder meer op de assemblage, het beoordelen van de bouwlocatie, het bepalen van de benodigde onderbouw, het doen van wijzigingsvoorstellen, het aanpassen van bouwtekeningen, het coördineren en plannen van de verschepingen van brugcomponenten, de tijdsplanning, het beoordelen van meerwerk, het doen van (lokale) vergunningsaanvragen en het verzorgen van het contact met de [land] overheid. Ook kiest de projectleider de onderaannemers uit met gebruik van een zogenoemde ‘witte’ en ‘zwarte’ lijst en geeft hij trainingen aan de onderaannemers. Verweerder stelt terecht dat eiseres in [land] met een onderaannemer werkt en dat sprake is van een back-to-back-contract met deze onderaannemer (zie onder 5.). Het werk wordt echter onder toezicht en leiding van de projectleider verricht en er is sprake van intensieve bemoeienis van de projectleider. Namens het hoofdhuis beheerst de projectleider het risico van de uitvoering van het contract in [land] . Nergens volgt uit dat deze taak bij de onderaannemer lag. De werkzaamheden van de projectleider zijn dus aanzienlijk omvangrijker dan, zoals verweerder betoogt, het enkel monitoren van de werkzaamheden van de onderaannemer. Dat in de overeenkomst met de onderaannemer afspraken zijn gemaakt over de verantwoordelijkheden van de onderaannemer en eventuele schadevergoedingen, ontslaat eiseres niet van haar eigen verantwoordelijkheden en aansprakelijkheden voortvloeiend uit het contract met de [land] overheid. Zo verbiedt het contract met de [land] overheid eiseres om het gehele project aan een subcontractor te laten (punt 4.4 van de overeenkomst, zie onder 4.). De overeenkomst met de onderaannemer maakt het oordeel van de rechtbank daarom niet anders. Ook het salaris van de projectleider is, in tegenstelling tot wat verweerder stelt, voor de rechtbank geen reden om zijn rol kleiner te achten dan is vermeld in de relevante documentatie en toegelicht ter zitting. Daarbij neemt de rechtbank in ogenschouw dat het een netto salaris betreft en de kosten van levensonderhoud in [land] aanzienlijk lager zijn dan in Nederland.
De rechtbank weegt ook in haar oordeel mee dat de in de ‘risk assessment en een risicoanalyse’ (zie onder 8.) beschreven risico’s onvoldoende betwist zijn. Uit dit document volgt dat in deze fase van het bruggenproject belangrijke risico’s in [land] liggen en voor rekening van de projectleider komen. Dit is ook terug te zien in de groei van het aantal personen werkzaam voor de VI van één FTE in 2018, naar twee FTE in 2019 en drie FTE in 2020 (zie onder 1.). Dit onderschrijft (een verschuiving van) de nadruk van de werkzaamheden naar de werkzaamheden door de VI in [land] .
36. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een gedeelte van de significant people functions door het hoofdhuis wordt uitgevoerd en een gedeelte door de VI. De rechtbank zal hierna oordelen over de winst die op basis van het ‘at-arm’s-length’-beginsel toerekenbaar is aan de VI.
Winst toerekenbaar aan de VI
37. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de VI een waardevolle en essentiële bijdrage in de bedrijfsvoering. De kennis en het inzicht van de projectleider is in deze fase van het bruggenproject essentieel en zijn werkzaamheden overstijgen het enkel monitoren van de voortgang. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in het feit dat bij het hoofdhuis in 2018 2,8 FTE werkten aan het bruggenproject, in 2019 3,25 FTE en in 2020 eveneens 3,25 FTE. In verhouding tot het aantal FTE dat voor de VI werkzaam was, in 2018 1 FTE, in 2019 2 FTE en in 2020 3 FTE, wijst dit ook niet op een ondersteunend of routinematig karakter van de activiteiten van de VI. De ten aanzien van de bij het project in [land] werkzame FTE’s bij het hoofdhuis respectievelijk de VI, zijn door verweerder niet betwist. Er is bovendien sprake van een samenwerking tussen de VI en het hoofdhuis, bijvoorbeeld doordat de projectleider aangeeft wanneer, en welk type, brugcomponenten verscheept dienen te worden, en of er aanpassingen in het brugontwerp dienen te worden aangebracht. De projectleider is ook verantwoordelijk voor de oplevering van de bruggen aan de opdrachtgever en het verkrijgen van zogenoemde ‘take over certificates’. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van geïntegreerde ondernemingsactiviteiten van hoofdhuis en VI. Dit betekent dat toepassing van de PSM in de onderhavige situatie een geschikte allocatiemethode is.
38. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder er niet in is geslaagd de feiten en omstandigheden aannemelijk te maken waaruit volgt dat de door eiseres toegepaste PSM een ongeschikte allocatiemethode is en dat een onzakelijke winst aan de VI is toegerekend. Tegenover de door eiseres overgelegde uitvoerige TP-documentatie en de ter zitting gegeven toelichtingen op de activiteiten van de VI heeft verweerder onvoldoende ingebracht. Hoewel de overgelegde documentatie ziet op de jaren vanaf 2019 geldt dit ook voor het jaar 2018 nu de feiten en omstandigheden in dat jaar vergelijkbaar waren met die in de jaren 2019 en 2020.
Slotsom
39. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen gegrond te worden verklaard en de aanslagen Vpb te worden verminderd met inachtneming van een objectvrijstelling overeenkomstig de door eiseres in haar aangiften opgenomen bedragen.
Proceskosten
40. In haar nader stuk van 29 september 2025 heeft eiseres haar standpunt dat recht bestaat op een integrale proceskostenvergoeding ingetrokken.
41. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. De rechtbank is van oordeel dat de zaken HAA 24/713 tot en met HAA 24/715 in de bezwaar- en beroepsfase samenhangen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: ‘Bpb’). De rechtbank stelt de voor vergoeding in aanmerking komende kosten op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.108 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 647, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1 wegens het gewicht van de zaken en een factor 1 wegens het aantal samenhangende zaken).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen gegrond;
  • vernietigt de uitspraken op bezwaar;
  • vermindert de aanslag Vpb 2018 naar één berekend naar een belastbaar bedrag van € 3.642.948;
  • vermindert de aanslag Vpb 2019 naar één berekend naar een belastbaar bedrag van € 792.063;
  • vermindert de aanslag Vpb 2020 naar één berekend naar een belastbaar bedrag van € 386.204;
  • vermindert de beschikkingen belastingrente dienovereenkomstig;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 3.108, en
  • veroordeelt verweerder tot vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht van € 371.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, voorzitter, en mr. M.E. Kiers en
mr. C. Huisman, leden, in aanwezigheid van mr. T. van Opzeeland, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 december 2025.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ‘s Hertogenbosch (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70584, 5201 CZ ‘s Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).