Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige kamer van 2 december 2025 in de zaken tussen
[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.
Procesverloop
drs. [naam 7] .
Overwegingen
22 februari 2019 tussen eiseres en de [land] overheid. Deze overeenkomsten zien op de levering van (162) bruggen in wat door de contractspartijen wordt aangeduid als ‘Phase 5’ van het bruggenproject. In de ‘General Conditions of Contract’ is – voor zover relevant – het volgende opgenomen:
Contractor’s General ObligationsThe Contractor shall design (to the extent specified in the Contract), execute and
Geschil14. In geschil is of de aanslagen tot de juiste bedragen zijn opgelegd. Meer specifiek is in geschil de hoogte van de objectvrijstelling en of bij de winstallocatie aan de vaste inrichting in [land] de Profit Split-methode (hierna: ‘PSM’) toegepast dient te worden of de Transaction Net Margin-methode (hierna: ‘TNMM’) met als ‘Profit Level Indicator’ een ‘Net Cost Margin’. Daaraan vooraf gaat de beantwoording van de vraag of omkering en verzwaring van de bewijslast toegepast dient te worden.
11 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1928). De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder de voor omkering en verzwaring van de bewijslast vereiste bewustheid bij eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiseres heeft een gemotiveerd standpunt ingenomen aangaande de winstallocatie aan de VI en welke allocatiemethode het meest geschikt is. Eiseres heeft het gebruik van de PSM uitvoerig en met Transfer Pricing-documentatie onderbouwd en verdedigd. Gelet hierop mocht eiseres redelijkerwijs menen dat zij een juiste aangifte deed. De vereiste bewustheid is daarom bij haar niet aanwezig. Dat verweerder in discussies over de belastingheffing over eerdere belastingjaren het standpunt heeft ingenomen dat winstallocatie met gebruik van een Cost Plus-methode moet plaatsvinden, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Het afwijkende standpunt van verweerder maakt namelijk niet dat eiseres haar standpunt niet langer in rechte zou kunnen bepleiten.
a. voor zover in de relatie tot de andere staat een verdrag van kracht is [tekst 2018-2019] / van toepassing is [tekst 2020] dat, (…), voorziet in een regeling voor de heffing over de bestanddelen van de winst van de belastingplichtige: het gezamenlijke bedrag van:
Kamerstukken II2011/12, 33 003, nr. 3, p. 92-93). Uit de totstandkomingsgeschiedenis en de bewoordingen van artikel 15e, eerste en tweede lid (onderdeel a), van de Wet Vpb en artikel 7, tweede lid, van het Verdrag volgt dat voor de toerekening van de winst aan een vaste inrichting aansluiting wordt gezocht bij het zogenoemde ‘arm’s length principle’. De rechtbank zal daarom, waar nodig, verwijzen naar de relevante onderdelen uit de OESO-rapporten ‘OECD Transfer Pricing Guidelines for Multinational Enterprises and Tax Administrations’ (januari 2022) (hierna: ‘TP-Guidelines’) en '2010 Report on the Attribution of Profits to Permanent Establishments' (zoals gepubliceerd in juli 2008 en aangepast in 2010) (hierna: ‘PE-rapport’).
Beslissing
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar;
- vermindert de aanslag Vpb 2018 naar één berekend naar een belastbaar bedrag van € 3.642.948;
- vermindert de aanslag Vpb 2019 naar één berekend naar een belastbaar bedrag van € 792.063;
- vermindert de aanslag Vpb 2020 naar één berekend naar een belastbaar bedrag van € 386.204;
- vermindert de beschikkingen belastingrente dienovereenkomstig;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 3.108, en
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht van € 371.
mr. C. Huisman, leden, in aanwezigheid van mr. T. van Opzeeland, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 december 2025.