Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2025:2125

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
12 februari 2025
Publicatiedatum
27 februari 2025
Zaaknummer
11299302 \ CV EXPL 24-6341
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230m lid 1 BWArt. 6:230v BWArt. 6:44 BWRichtlijn 93/13/EEGECLI:NL:HR:2021:1677
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen en informatieplichten in kinderopvangovereenkomst

De eisende partij, Holland Op Stoom B.V., vordert betaling van een hoofdsom en bijkomende kosten van de gedaagde, die niet is verschenen, waardoor verstek is verleend. De vordering is gebaseerd op een overeenkomst op afstand tussen handelaar en consument.

De kantonrechter toetst ambtshalve of aan de wettelijke precontractuele informatieplichten van artikel 6:230m lid 1 en 6:230v BW is voldaan. Hoewel de eisende partij dit onvoldoende onderbouwt, constateert de rechtbank dat de gedaagde voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst is gewezen op het herroepingsrecht in de plaatsingsovereenkomst.

Daarnaast onderzoekt de rechtbank de toepasselijke algemene voorwaarden van de eisende partij op oneerlijke bedingen. De prijswijzigingsbedingen worden buiten beschouwing gelaten, maar de rentebedingen worden vernietigd wegens oneerlijkheid, conform eerdere jurisprudentie. De buitengerechtelijke incassokosten worden daarom afgewezen.

De hoofdsom en rente worden toegewezen minus reeds betaalde bedragen, resulterend in een toewijzing van €269,16 plus wettelijke rente en proceskosten. De vordering wordt grotendeels toegewezen en de gedaagde veroordeeld tot betaling van proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €269,16 plus wettelijke rente en proceskosten, terwijl de incassokosten worden afgewezen wegens oneerlijke bedingen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11299302 \ CV EXPL 24-6341
Uitspraakdatum: 12 februari 2025
Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
Holland Op Stoom B.V.
te Haarlem
de eisende partij
gemachtigde: De Best & Partners B.V.
tegen
[gedaagde]
te [plaats]
de gedaagde partij
niet verschenen

1.De procedure

1.1.
De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard. Tegen de gedaagde partij is verstek verleend.

2.De beoordeling

2.1.
De eisende partij vordert veroordeling van de gedaagde partij tot betaling van € 430,78 aan hoofdsom, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten, de wettelijke rente en de proceskosten en te verminderen met deelbetalingen.
Ambtshalve toetsing van de (pre)contractuele informatieplichten
2.2.
De vordering is gebaseerd op een overeenkomst op afstand tussen een handelaar en een consument. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet ter bescherming van de consument aan de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten van de artikelen 6:230m lid 1 en 6:230v van het Burgerlijk Wetboek (BW) worden voldaan. Dat aan deze plichten is voldaan, moet gemotiveerd worden gesteld en onderbouwd. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd. [1]
2.3.
Vooropgesteld wordt dat de eisende partij haar standpunten met betrekking tot de (pre)contractuele informatieplichten strikt genomen onvoldoende heeft onderbouwd. De eisende partij moet expliciet en op een duidelijke manier aangeven op producties welke informatie van artikel 6:230m lid 1 BW en artikel 6:230v BW te vinden is (bijvoorbeeld door de relevante informatie in de betreffende producties te arceren, maar tenminste door aan te geven op welke bladzijde van de productie de betreffende informatie te vinden is). Het is niet aan de kantonrechter om eigenhandig op zoek te gaan naar informatie in het dossier. De kantonrechter wijst de eisende partij erop dat het ontbreken van een dergelijke onderbouwing in eventuele vervolgzaken [2] kan leiden tot afwijzing van de vordering.
2.4.
De eisende partij stelt dat is voldaan aan de precontractuele informatieplicht van artikel 6:230m lid 1 onder h BW, omdat in de toepasselijke algemene voorwaarden informatie staat over het herroepingsrecht. Het is echter onvoldoende om deze informatie slechts in de algemene voorwaarden op te nemen, zonder de consument er voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst expliciet op te wijzen dát deze informatie in de algemene voorwaarden te vinden is. Daarmee wordt de consument namelijk niet op duidelijke en begrijpelijke wijze op de hoogte gebracht van deze informatie.
2.5.
De kantonrechter heeft in productie 1 echter geconstateerd dat de eisende partij de gedaagde partij voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst heeft gewezen op het herroepingsrecht door deze informatie op te nemen in de plaatsingsovereenkomst. De kantonrechter verbindt er in deze zaak geen gevolgen aan dat de eisende partij hier niet expliciet op heeft gewezen in de dagvaarding, maar wijst de eisende partij erop dat dit in eventuele vervolgzaken anders kan zijn.
2.6.
De conclusie is dat de eisende partij, alhoewel (strikt genomen) onvoldoende is gesteld en onderbouwd, heeft voldaan aan de (pre)contractuele informatieplichten.
Ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden
2.7.
De kantonrechter is, gelet op het Dexia-arrest [3] , gehouden om onderzoek te doen naar (mogelijk) oneerlijke bedingen in de toepasselijke algemene voorwaarden. Volgens Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten is een beding oneerlijk wanneer dit het evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. De kantonrechter moet in iedere procedure over ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet oneerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak oneerlijk is, moet het beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen (ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak).
2.8.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat op de overeenkomst(en) de volgende algemene voorwaarden van de eisende partij van toepassing zijn verklaard: de Algemene voorwaarden van Op Stoom (hierna: de algemene voorwaarden OS) en de Algemene voorwaarden voor Kinderopvang Dagopvang en Buitenschoolse opvang 2016 (hierna: de algemene voorwaarden 2016).
2.9.
Artikel 16 van Pro de algemene voorwaarden 2016 en artikel 4.15 van de algemene voorwaarden OS betreffen prijswijzigingsbedingen. Uit de stukken blijkt dat de eisende partij de huurprijs gedurende de looptijd van de huurovereenkomst niet heeft gewijzigd, zodat deze bedingen geen verband houden met de onderhavige vordering. Daarom zal de kantonrechter deze bedingen niet toetsen op (on)eerlijkheid.
2.10.
De rentebedingen in artikel 17 van Pro de algemene voorwaarden 2016 en in artikel 4.4 van de algemene voorwaarden OS zijn door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden.
2.11.
In een eerdere zaak van de eisende partij heeft de kantonrechter de artikelen 17 van de algemene voorwaarden 2016 en artikel 4.4 van de algemene voorwaarden OS oneerlijk bevonden en vernietigd en de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten daarom afgewezen. [4] De kantonrechter ziet geen reden om daar nu anders over te denken en vernietigt daarom deze bedingen. De buitengerechtelijke incassokosten zullen daarom worden afgewezen.
Wat is toewijsbaar?
2.12.
De gevorderde hoofdsom en rente zijn toewijsbaar, omdat deze vorderingen de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden gelet op het voorgaande afgewezen.
2.13.
De gedaagde partij heeft reeds een bedrag van € 184,09 voldaan. Deze deelbetaling strekt, gelet op het bepaalde in artikel 6:44 BW Pro en wat hiervoor is overwogen, eerst in mindering op de verschenen rente (€ 22,47) en daarna op de toewijsbare hoofdsom. Dit maakt dat een bedrag van € 269,16 (€ 430,78 - € 162,62) aan hoofdsom zal worden toegewezen.
Conclusie en proceskosten
2.14.
De vordering wordt (grotendeels) toegewezen.
2.15.
De gedaagde partij wordt (overwegend) in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 269,16, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 246,69 vanaf 23 augustus 2024 tot aan de dag van de gehele betaling;
3.2.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:
dagvaarding € 137,39
griffierecht € 130,00
salaris gemachtigde € 82,00;
3.3.
verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Woerdman en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter

Voetnoten

1.Zie, onder meer, het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677.
2.Ingeleid met een dagvaarding vanaf 1 januari 2025.
3.HvJ EU 27 januari 2021, C‑229/19 en C‑289/19, ECLI:NL:EU:C:68 (Dexia).
4.ECLI:NL:RBNHO:2024:13932 (tussenvonnis) en ECLI:NL:RBNHO:2025:708 (eindvonnis).