Eiseres, een handelsvennootschap in ferrometalen, werd geconfronteerd met een naheffingsaanslag omzetbelasting over 2016 vanwege vermeende betrokkenheid bij een keten van btw-fraude met Britse afnemers. Verweerder stelde dat eiseres onjuiste aangiften had gedaan en het nultarief ten onrechte had toegepast.
De rechtbank Amsterdam sprak eiseres vrij van het opzettelijk doen van onjuiste aangiften, waarna het gerechtshof Amsterdam dit vonnis vernietigde maar eveneens oordeelde dat de transacties en facturen gebaseerd waren op schijnhandelingen, waardoor feitelijk geen belastbare omzet had plaatsgevonden. Eiseres werd wel veroordeeld voor medeplegen van valsheid in geschrifte, maar niet voor btw-fraude.
De rechtbank Noord-Holland sluit zich aan bij het gerechtshof en concludeert dat er geen grond is voor naheffing omdat de leveringen niet feitelijk hebben plaatsgevonden en eiseres geen voorbelasting heeft teruggevraagd. De enkele verwijzing door verweerder naar een andere zaak tegen een andere rechtspersoon leidt niet tot een ander oordeel. Het beroep wordt gegrond verklaard, de naheffingsaanslag en rentebeschikking worden vernietigd en verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.