Deze bestuursrechtelijke zaak betreft een geschil over de vergoeding van proceskosten na terugbetaling van antidumpingrechten en rente die onterecht waren geïnd. Eiseres had bezwaar gemaakt tegen een uitnodiging tot betaling van €150.799, bestaande uit antidumpingrechten en rente. Na een prejudiciële uitspraak van het Hof van Justitie over de oorsprong van de goederen, heeft verweerder de aanslag ambtshalve verminderd tot nihil.
De rechtbank oordeelt dat eiseres geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het bezwaarbesluit, aangezien de utb is ingetrokken. Het beroep wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard. Wel wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €1.814 en het griffierecht van €365, omdat verweerder aan de bezwaren tegemoet is gekomen.
Eiseres had een integrale proceskostenvergoeding gevorderd wegens vermeend onzorgvuldig handelen van verweerder door het niet aanhouden van de bezwaarprocedure tijdens de prejudiciële procedure. De rechtbank acht dit echter geen bijzondere omstandigheid en wijst het verzoek af. Verweerder handelde zorgvuldig en de belangenafweging was niet onredelijk.
De uitspraak benadrukt dat het aanhouden van bezwaarprocedures geen wettelijke verplichting is en dat prejudiciële vragen niet automatisch leiden tot een hogere proceskostenvergoeding. De rechtbank past het forfaitaire systeem toe en wijst de gevorderde hogere vergoeding af.