Buurtbewoners [eisers] vorderden dat [gedaagde] de in 2021 geplaatste schutting verwijdert die een pad naast haar woning afsluit. Volgens hen handelt [gedaagde] in strijd met een kwalitatieve verplichting uit de leveringsakte die het gebruik van het pad door aanliggende eigenaren garandeert. Subsidiair stelden zij dat door verjaring een erfdienstbaarheid van overpad is ontstaan.
De rechtbank oordeelt dat de kwalitatieve verplichting niet ziet op het afgesloten pad naast de woning van [gedaagde], maar op een ander pad achter de woningen dat nog steeds toegankelijk is. Dit volgt uit de tekst van de akte, de ligging van de paden en de kadastrale grenzen die in het midden van de paden liggen, waardoor de last van het pad gelijkelijk over de eigenaren wordt verdeeld.
Verder is onvoldoende gesteld en gebleken dat sprake is van bezit met de pretentie van rechthebbende, noodzakelijk voor verjaring van een erfdienstbaarheid. De periode van huur vóór eigendomsoverdracht in 2009 sluit bezit uit. Ook na 2009 is de termijn van twintig jaar voor bevrijdende verjaring niet verstreken en is het gebruik onvoldoende onderbouwd om verkrijgende verjaring aan te nemen.
De vorderingen worden daarom afgewezen. De rechtbank veroordeelt [eisers] in de proceskosten. De voorwaardelijke tegenvordering van [gedaagde] komt niet aan behandeling toe.