Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2025 in de zaken tussen
[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres
Procesverloop
Overwegingen
een aanslag wordt vastgesteld”. Verweerder was derhalve verplicht een aanslag vast te stellen, ook al werd deze aanslag vastgesteld buiten de in artikel 11, derde lid, van de Awr genoemde termijn. De Hoge Raad heeft bepaald dat deze laatste bepaling niet in de weg staat aan het opleggen van een aanslag op een later tijdstip wanneer de belastingplichtige daarbij een belang heeft, zoals in het onderhavige geval waarbij eiseres een verzoek doet om teruggave van belasting (vlg. HR
22 april 1998, nr. 32616, ECLI:NL:HR:1998:AA2420).
Beslissing
- verklaart het beroep inzake de aanslag IB/PVV 2021 ongegrond;
- verklaart het beroep inzake de aanslag IB/PVV 2017 gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar betreffende de aanslag IB/PVV 2017;
- stelt de aanslag IB/PVV 2017 vast op nihil, waarbij de voorheffingen niet worden verrekend;
- bepaalt dat de belastingrente 2017 dienovereenkomstig verminderd wordt;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar, en
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiseres te vergoeden.
mr. M.M. van Wijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2022.