Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
5.Beslissing
bevestigtde uitspraak van de Rechtbank.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende stelde in haar aangifte inkomstenbelasting voor 2015 een bedrag van €11.288 aan betaalde loonheffing en gemeentelijke belastingen op als aftrekbare periodieke giften. De Inspecteur wees deze aftrek af en handhaafde de aanslag. De Rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond en het Hof behandelde het hoger beroep.
Het Hof overwoog dat het begrip 'gift' volgens Van Dale vrijwilligheid inhoudt, wat niet van toepassing is op belastingen die wettelijk verplicht zijn. Ook de wettelijke definitie van giften vereist een bevoordeling uit vrijgevigheid, wat bij belastingen ontbreekt. Het beroep op eerdere jurisprudentie over periodieke giften werd verworpen omdat die gevallen een andere context hadden, namelijk een schenkingsovereenkomst met een waardeverschuiving en vrijgevigheid.
De wetsgeschiedenis toonde aan dat 'verplichte bijdragen' in de wetgeving niet bedoeld zijn voor belastingschulden, maar voor bijdragen met een morele verplichting zonder directe tegenprestatie, zoals kerkelijke belastingen en contributies aan bepaalde instellingen. Omdat belastingen niet onder deze categorie vallen, is aftrek als gift niet toegestaan.
Het Hof verklaarde het hoger beroep ongegrond, bevestigde de uitspraak van de Rechtbank en wees een vergoeding van griffierecht en proceskosten af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd dat belastingen niet als giften in aftrek kunnen worden gebracht.