Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen uitspraken op bezwaar van de inspecteur inzake aanslagen inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet over de jaren 2017 tot en met 2021. De kern van het geschil betreft de weigering van de inspecteur om de door belanghebbende opgevoerde bedragen als giftenaftrek in aanmerking te nemen.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de aanslagen zijn opgelegd conform de ingediende aangiften zonder giftenaftrek. Belanghebbende stelde dat betalingen aan de Belastingdienst en andere overheidsinstanties als giften moeten worden aangemerkt, omdat hij meent dat de Belastingdienst een onderneming is en geen wettelijke grondslag bestaat voor de belastingheffing zonder overeenkomst en factuur.
De rechtbank verwierp deze stellingen als onjuist en wees erop dat belastingen, heffingen en boetes wettelijke verplichtingen zijn en geen giften. Ook de betalingen aan de Kamer van Koophandel zijn geen giften vanwege de tegenprestatie. Daarnaast faalde het beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel tegen het niet verstrekken van documenten. De rechtbank concludeerde dat de inspecteur de giftenaftrek terecht heeft geweigerd en dat de aanslagen en belastingrentebeschikkingen in stand blijven.