Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
[adres 1] .
1.Inleiding
de verdachte aan de [adres 1] en aan de [adres 4] .
[medeverdachte] in november 2017. Het einddossier werd aan de verdachte verstrekt op 3 juli 2019.
[naam 2] , Oberstaatsanwältin van Bremen (Duitsland). Van de acht in Nederland verblijvende getuigen konden uiteindelijk slechts vier worden gehoord door de rechter-commissaris. Van het horen van [medeverdachte] is door de verdediging afgezien. Geen van de in het buitenland verblijvende zeven getuigen bleek gehoord te kunnen worden. De
rechter-commissaris heeft geconcludeerd dat mevrouw [naam 2] – wegens haar uit dienst treden – slechts gedeeltelijk toestemming heeft gekregen voor beantwoording van de door de rechtbank geformuleerde vragen en dat de door de Duitse autoriteiten (uit eigen beweging) toegezonden stukken geen antwoord geven op de vragen.
– per abuis – is gevoegd in de schriftelijke reactie van [medeverdachte] .
2.Tenlastelegging
9 mei 2011;
bijlage 1aan dit vonnis gehecht.
niet-ontvankelijk is in de vervolging, omdat de vervolging tegen de verdachte, met de inzet van bijzondere opsporingsmethoden, heeft plaatsgevonden zonder dat sprake was van een redelijk vermoeden dat de verdachte zich schuldig zou hebben gemaakt aan witwassen. Er is sprake van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek en dit vormverzuim is onherstelbaar. Als gevolg daarvan is sprake van schendingen van diverse grondrechten en rechtsbeginselen, waaronder artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), waardoor de verdachte nadeel heeft geleden en schade ondervonden. Naar het oordeel van de verdediging kan niet anders worden geconcludeerd dan dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
mede-eigenaar bleek te zijn van meerdere onroerende goederen en/of hij voorafgaand aan de verwerving door [medeverdachte] van onroerend goed (aanzienlijke) geldbedragen op diens bankrekeningen had overgemaakt, die in sommige gevallen afkomstig leken te zijn van derden uit de Verenigde Arabische Emiraten en Pakistan.
komen vast te staandie bij het ontbreken van een brondelict een vermoeden rechtvaardigen dat het
niet anders kan zijndan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is (zie hierna onder § 4.3.2.2), is een andere vraag, die hierna in § 4.3.2.3 e.v. zal worden besproken.
niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, tenzij sprake is van het uitzonderlijke geval dat die inbreuk van dien aard en zodanig ernstig is dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM Pro. Die inbreuk moet dan onherstelbaar zijn en niet op een aan de eisen van behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze kunnen worden gecompenseerd. Ook moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat “
the proceedings as a whole were not fair”. Daarbij heeft de Hoge Raad erop gewezen dat indien – onevenredig – tijdsverloop een complicatie vormt bij de bewijsgaring of de waardering van het bewijs, de rechter daarmee rekening kan houden en, als de bewijsvoering anders op gespannen voet zou komen met de “
fairness of the proceedings as a whole”, tot een vrijspraak kan komen. [14]
4.Beoordeling van het bewijs
bijlage 2bij dit vonnis. Van feiten 1 en 2 spreekt de rechtbank de verdachte geheel vrij. De rechtbank legt hierna per deelverwijt uit hoe zij tot haar beslissing is gekomen.
zoals besproken ingesloten de stukken die we vanmorgen hebben doorgenomen”. In de bijlage bij die e-mail zijn – zo begrijpt de rechtbank – de salarisberekening (DOC-214) en een scan van de originele werkgeversverklaring (DOC-239) gevoegd. [18]
[adres 4] gebruik heeft gemaakt van valse geschriften (feit 3) en dat de door de bank verstrekte gelden dus onmiddellijk afkomstig zijn uit een misdrijf. De verdachte heeft mede met die gelden op 24 juni 2015 de woning verworven. Dit betekent dat de woning langs deze weg middellijk mede afkomstig is uit misdrijf.
i) Financiële positie van de verdachte
allebankmutaties op de bankrekeningen. De brondocumenten die de banken aan de FIOD hebben uitgeleverd, maken geen deel uit van het dossier. Nu het tegendeel niet is aangetoond, neemt de rechtbank aan dat [medeverdachte] ondanks het verzoek daartoe ook geen inzage heeft gekregen in die documenten. De verdediging heeft de in de ambtsberichten opgenomen transacties dus niet (volledig) kunnen toetsen, terwijl het dossier volgens [medeverdachte] meerdere onjuistheden bevat. In de zaak van de verdachte is de rechtbank wel gebleken dat bankmutaties aan de verdediging zijn verstrekt, maar het is onduidelijk gebleven welke documenten dit precies betreft (alle bankmutaties of een selectie daarvan).
1. (losse) geldstromen (en hun herkomst) alleen relevent zijn voor zover die
voorafgaandaan de verwerving van het tenlastegelegde voorwerp hebben plaatsgevonden, en
2. (losse) geldstromen (en hun herkomst) alleen relevant zijn voor zover die
in relatiestaan tot de verwerving van het tenlastegelegde voorwerp.
- op 23 maart 2012 een geldbedrag van € 36.500 vanaf een bankrekening van zijn vennootschap [vennootschap 2] ;
- op 25 maart 2012 een geldbedrag van € 13.350 vanaf een bankrekening van zijn moeder (waarop contante gelden zijn gestort die mogelijk deels zijn te herleiden tot de verdachte)
€ 20.000 en € 23.000 is overgeboekt naar de bankrekening van [medeverdachte] en zijn partner
(- [bankrekeningnummer 4] ). [31] Op 27 en 28 maart 2012 is in totaal € 57.960 vanaf die bankrekening (- [bankrekeningnummer 4] ) overgemaakt naar de bankrekening van de notaris onder vermelding van “ [adres 13] te Bussum” en “aankoop tbv Kapelst”. [32]
6 juli 2006 in totaal € 5.500 aan contant geld gestort en op 5 juli 2006 een geldbedrag van
€ 19.000 ontvangen vanaf een spaarrekening van de verdachte (- [bankrekeningnummer 5] ). [35]
6 juli 2006 en 2 augustus 2006 vanaf die rekening respectievelijk € 58.500 en € 49.000 is overgeboekt naar de bankrekening van de notaris onder vermelding van
[adres 8] . [36]
[schip 2]
- een woning gelegen aan de [adres 4]
5.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
[adres 4] – een beroep gedaan op de buitenwettelijke kwalificatieuitsluitingsgrond, zodat ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen.
middellijkmede afkomstig is uit de door de verdachte begane valsheid in geschrift. De rechtbank is daarmee van oordeel dat zich niet een situatie voordoet waarin de kwalificatieuitsluitingsgrond van toepassing is. De kwalificatieuitsluitingsgrond beoogt immers te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die het door dat misdrijf verkregen voorwerp verwerft of onder zich en dus voorhanden heeft, zich
automatischook schuldig maakt aan het witwassen van dat voorwerp. Omdat in deze zaak het witgewassen voorwerp niet de gelden verkregen uit de hypothecaire geldlening betreft, maar het vervolgens verworven onroerend goed, doet zo’n situatie zich hier niet voor. De kwalificatieuitsluitingsgrond is dan ook niet van toepassing in deze zaak. [39]
6.Strafbaarheid van de verdachte
7.Motivering van de sanctie
8.Beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen
allemet toepassing van artikel 94 Sv Pro onder de verdachte inbeslaggenomen voorwerpen zullen worden teruggegeven aan de verdachte.
9.Beslissing
9 mei 2011 te Amsterdam en/of Enkhuizen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
Feit 2
3 oktober 2016 te Hilversum en/of Enkhuizen en/of Rotterdam en/of Bussum en/of Muiderberg en/of Heerde en/of Muiden een of meer overige plaatsen, althans in Nederland,
een onroerende zaak / woning gelegen aan de [adres 4]
Bijlage 2 - De bewijsmiddelen