Overwegingen
1. Eiseres is gedupeerde van de toeslagenaffaire. Ter compensatie van de daardoor geleden schade is aan eiseres bij beschikking van 23 februari 2023 een schadevergoeding toegekend van € 44.227.
2. Bij brief met dagtekening 5 september 2024 heeft eiseres bij de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS) een verzoek tot toekenning van een aanvullende schadevergoeding ingediend. Bij brief met dagtekening 24 september 2024 heeft de CWS eiseres bericht dat haar verzoek in goede orde was ontvangen.
3. Bij brief met dagtekening 3 februari 2025 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat de termijn waarop op haar verzoek moet worden beslist met zes maanden wordt verlengd.
4. Bij brief met dagtekening 8 september 2025 heeft eiseres verweerder van het nemen van een beslissing op haar verzoek in gebreke gesteld. Omdat ook toen een beslissing uitbleef, heeft eiseres bij brief met dagtekening 23 september 2025 het onderhavige beroep ingesteld.
Geschil5. In geschil is de termijn binnen welke verweerder alsnog een beslissing moet nemen op het verzoek tot toekenning van een vergoeding van wekelijke schade, en of en voor welk bedrag verweerder bij overschrijding van die termijn een dwangsom verbeurt.
Beoordeling van het geschil
Beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing
6. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld (artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)).
7. De rechtbank stelt vast dat de termijn voor het nemen van een besluit op 6 september 2025 is verstreken. Tot op heden heeft verweerder niet beslist op de aanvraag van eiseres. Het beroep is daarom gegrond.
8. Omdat het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, moet de rechtbank het bestuursorgaan opdragen om in principe binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend te maken (artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb). Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen (artikel 8:55d, derde lid, van de Awb). Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dat die termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.
9. Eiseres voert aan dat verweerder binnen twee weken na de uitspraak op de aanvraag moet beslissen.
10. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1301) – over bezwaarzaken in het kader van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) – overeenkomstig zou moeten worden toegepast op zaken als deze waarin een betrokkene een aanvraag om aanvullende compensatie heeft ingediend bij de CWS. In het belang van eenduidigheid verzoekt verweerder de rechtbank een nadere termijn te bepalen van 60 weken vanaf het verstrijken van de wettelijke beslistermijn, waarbij deels tegemoet gekomen wordt aan de feitelijke doorlooptijd van de behandeling van aanvragen om vergoeding van werkelijke schade. 11. De rechtbank stelt voorop dat de Afdeling in de hiervoor genoemde uitspraak van 26 maart 2025 heeft geoordeeld dat bij beroepen tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar in Wht-zaken een nadere beslistermijn van 60 weken na de datum waarop de wettelijke beslistermijn voor het nemen van een besluit op bezwaar is verstreken, realistisch is. Als op het moment van de uitspraak al 60 weken zijn verstreken na ommekomst van de beslistermijn op bezwaar, geldt in beginsel een nadere beslistermijn van twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden. Daarbij heeft de Afdeling expliciet overwogen dat deze uitspraak niet gaat over uitblijvende besluiten op aanvraag.
12. Voor uitblijvende besluiten op aanvraag is naar het oordeel van de rechtbank de uitspraak van de Afdeling van 23 augustus 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3209) richtinggevend. In die uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat een nadere beslistermijn van twaalf weken na het verweerschrift en ten minste zes weken na de uitspraak in een individueel geval niet onnodig lang en ook niet onrealistisch kort is, dan wel zou moeten zijn. 13. Inmiddels zijn echter bijna twee jaren verstreken en zoals ook de Afdeling constateert in haar uitspraak van 26 maart 2025 is de uitvoeringsproblematiek bij de hersteloperatie toeslagen ondertussen niet opgelost, maar juist verergerd. Verweerder heeft onder verwijzing naar een ‘UHT rapportage’ van kalenderweek 17 laten zien dat op 25 april 2025 6.699 aanvragen vergoeding van werkelijke schade bekend waren. Van deze aanvragen zijn 886 aanvragen afgehandeld met een beschikking en 429 aanvragen zijn ingetrokken. De actuele feitelijke doorlooptijd van aanvragen bij de CWS bedraagt op dit moment meer dan 800 dagen, aldus verweerder. De instroom van zaken gaat ook nog door. Verweerder heeft verder toegelicht dat ouders in beginsel tot 1 juli 2025 de tijd kregen een aanvraag in te dienen, maar dat ouders van wie de integrale beoordeling na 1 januari 2025 onherroepelijk is geworden, nog tot zes maanden daarna een aanvraag kunnen indienen.
14. Om redenen die de Afdeling ook benoemt in haar uitspraak van 26 maart 2025 ziet de rechtbank aanleiding om bij het bepalen van de nadere termijn aansluiting te zoeken bij de tijd die (bestendig) nodig is gebleken voor verweerder om een besluit op een aanvraag om vergoeding van werkelijke schade te nemen. Dat is in dit geval dus ruim 114 weken. Omdat van verweerder verbetering verwacht mag worden, acht de rechtbank op dit moment een nadere beslistermijn van 60 weken na ommekomst van de wettelijke beslistermijn een realistische termijn die niet onnodig lang en ook niet onrealistisch kort is. Het stellen van een kortere termijn leidt er niet toe dat eerder op aanvragen beslist gaat worden, gegeven de beperkte capaciteit bij de CWS en de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen, maar leidt juist tot verdere vertraging, omdat die capaciteit dan ook gebruikt moet worden voor nog meer (herhaalde) beroepen over niet tijdig beslissen.
15. De beslistermijn ven 60 weken begint te lopen vanaf de eerste dag waarop de wettelijke beslistermijn op grond van artikel 2.1, derde lid, in samenhang met artikel 6.2, eerste lid, van de Wht is verstreken. Als deze termijn al is verstreken op het moment dat de rechtbank uitspraak doet, zal de rechtbank in beginsel een nadere beslistermijn van twee weken vanaf verzending van de uitspraak op het beroep bepalen.
16. Hetgeen hiervoor is vermeld en overwogen betekent in het geval van eiseres het volgende. Eiseres heeft op 5 september 2024 een aanvraag ingediend voor vergoeding van werkelijke schade, waarna de wettelijke beslistermijn op 6 september 2025 is verstreken (zie mede onder 7). De uiterlijke datum waarop verweerder een besluit op de aanvraag bekend moet maken is dus 31 oktober 2026.
17. Verweerder heeft verder verzocht te bepalen dat de nadere beslistermijn niet loopt en geen dwangsom verschuldigd is gedurende de periode dat eiseres bedenktijd heeft over welke schaderoute zij kiest, via de CWS of een alternatief traject zoals bijvoorbeeld de schikkingsroute via de Stichting (Gelijk)Waardig Herstel (hierna: de bedenktijdperiode). Ook de periode dat eiseres niet in de wachtrij staat of in behandeling is bij de CWS, omdat zij heeft gekozen voor een andere schaderoute zou volgens verweerder niet moeten meetellen wanneer op die keuze later wordt teruggekomen (hierna: de alternatieve periode).
18. Op de zitting heeft eiseres verklaard dat zij momenteel (nog) niet weet of zij een alternatief traject gaat kiezen.
19. De rechtbank is van oordeel dat de nadere beslistermijn niet loopt gedurende de bedenktijdperiode en de alternatieve periode. De door de rechtbank bepaalde nadere beslistermijn wordt in een dergelijk geval verlengd met de duur van de bedenktijdperiode of de alternatieve periode.
20. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100 moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde beslistermijn overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000.
Proceskosten en griffierecht
21. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934), bij een wegingsfactor van 0,5. Toegekend wordt € 934.
22. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.