3.3.3.Bewijsmotivering en bespreking van de verweren
Met betrekking tot feit 1 primair
Andere gebruikers van de onder de verdachte in beslag genomen telefoons?
De raadsvrouw heeft gesteld dat uit het dossier blijkt dat de verdachte niet de enige gebruiker is geweest van de drie onder hem in beslag genomen telefoons en dat de telefoons ook zijn gebruikt toen de verdachte in detentie zat.
Anders dan de raadsvrouw stelt, kan naar het oordeel van de rechtbank uit het dossier niet worden afgeleid dat de telefoons gedurende de gehele periode dat de nummers in gebruik waren, continu actief zijn geweest. Het onderzoek van de politie heeft zich immers, vanwege de grote hoeveelheid aangeleverde data, beperkt tot een relatief korte periode. Gegevens die buiten deze periode vallen zijn niet in het onderzoek betrokken. Uit het dossier volgt dan ook niet dat de telefoons door anderen zijn gebruikt toen de verdachte in detentie zat. Daar komt bij dat de telefoons zijn aangetroffen bij de verdachte, dat de ‘thuismast’ van de telefoons in de nabijheid van de verblijfplaats van de verdachte staat, dat de selfies op de toestellen van de verdachte zijn en dat de verdachte degene is die met deze telefoons getapte gesprekken heeft gevoerd. Tegenover al deze gegevens die in de richting van de verdachte wijzen, ziet de rechtbank geen concrete aanknopingspunten om te veronderstellen dat anderen dan de verdachte van deze telefoons gebruik hebben gemaakt. De rechtbank verwerpt het verweer.
Medeplegen
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte en medeverdachte [naam 1] in de nacht van 13 op 14 januari 2024 vanuit Amsterdam naar de woning aan de [adres 2] in Alkmaar zijn gereisd. Op camerabeelden is te zien dat twee personen langs de woning lopen en dat er iets gegooid wordt naar de woning, waarna een explosie en brand volgen. Ter plekke worden resten van een Vuurwerk Brandstof Combinatie (VBC) gevonden. Op de restanten van de fles met brandstof wordt DNA van de verdachte aangetroffen. Op de telefoon van de verdachte is een video gevonden, waarin een persoon een explosief gooit naar de woning aan de [adres 2] in Alkmaar, waarna een ontploffing volgt. Deze video is opgenomen met de telefoon van de verdachte. Uit andere zaken in dit onderzoek is bekend dat opdrachtgevers voor een dergelijke aanslag filmbeelden willen zien, (mogelijk) als bewijs dat de opdracht is uitgevoerd. Ook is in de telefoon van de verdachte te zien dat kort voor de ontploffing via Google is gezocht naar het adres [adres 2] in Alkmaar. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en medeverdachte [naam 1] met betrekking tot het teweegbrengen van de ontploffing. De rechtbank acht daarom medeplegen bewezen.
Gevaar voor zwaar lichamelijk letsel/levensgevaar
De rechtbank is van oordeel dat vanwege de brand niet alleen gemeen gevaar voor goederen (te weten de betreffende woning en de daarin aanwezige goederen), maar ook gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar voor de bewoners van de woning aan [adres 2] in Alkmaar te duchten was. Van zodanig te duchten gevaar is sprake als ten tijde van het teweegbrengen van de ontploffing/de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is geweest dat mensen door de brand zouden kunnen omkomen of zwaar lichamelijk letsel zouden kunnen oplopen.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat in de nacht door de ontploffing van de VBC vuur bij de voordeur van de woning is ontstaan en dat dit vuur zich, wanneer het niet tijdig was gedoofd, via de voordeur had kunnen uitbreiden naar binnen in de woning, waar op dat moment meerdere personen aanwezig waren die – op één persoon na – lagen te slapen (althans in hun slaapkamers waren). Ook uit het forensisch onderzoek (dossierpagina A 244) volgt dat gevaar is ontstaan voor de aanwezige bewoners. Onder deze omstandigheden was levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de aanwezige bewoners van de [adres 2] in Alkmaar naar algemene ervaringsregels voorzienbaar. De rechtbank weegt hierbij mee dat uit de Vakbijlage “Vuurwerk Brandstof Combinaties” van het NFI (dossierpagina A 227 e.v.) volgt dat bij het ontsteken van een VBC onder andere het risico ontstaat op een drukgolf, scherfwerking en gevaar dat samenhangt met de brandstof (waaronder het ontstaan van brand).
Het gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar geldt ten aanzien van de in de woning aanwezige personen en niet ten aanzien van ‘passanten’. De verdachte zal daarom van dat onderdeel van de tenlastelegging partieel worden vrijgesproken.
Met betrekking tot feit 2
Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat bewezen is dat de twee stuks vuurwerk die zijn aangetroffen in de woning waar de verdachte verbleef daadwerkelijk Cobra’s 6 waren. Bij aanvang van de doorzoeking is aan de hoofdbewoonster (oma van de verdachte) gevraagd of er zwaar vuurwerk of explosieven in de woning aanwezig waren. Zij antwoordde daarop dat er twee dingen met zo'n ‘slangennaam’ in de blauwe prullenbak in de keuken lagen, dat die van de verdachte waren en dat deze over waren van oud en nieuw. Hierop heeft de bij de doorzoeking aanwezige Teamleider Explosieven Verkenning (TEV) in de prullenbak twee Cobra’s 6 aangetroffen. Op aanwijzing van de TEV hebben daarop twee verbalisanten, werkzaam als explosievenverkenners, de afvalbak onderzocht. Hierbij hebben zij twee artikelen vuurwerk aangetroffen, die zij ambtshalve herkenden als Cobra 6. Op de foto op pagina A 62 van het dossier is duidelijk dat één van de aangetroffen stuks vuurwerk het opschrift ‘Cobra 6’ draagt.
Naar het oordeel van de rechtbank staat gelet op het voorgaande genoegzaam vast dat de verdachte op 20 februari 2024 professioneel vuurwerk (Cobra’s 6) voorhanden heeft gehad.
Met betrekking tot feit 5 primair
Begin van uitvoering
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen het volgende vast.
In de vroege nacht van 3 februari 2024 hield de politie in de [straatnaam 1] in Alkmaar een persoon aan die later bleek te zijn de medeverdachte [naam medeverdachte 1] (hierna: [naam medeverdachte 1]). Kort daarvoor, rond 00.40 uur, had een politieagent gezien dat [naam medeverdachte 1] in de Amstelstraat uit een auto stapte en vanuit de Amstelstraat met iets witkleurigs in zijn handen richting de woning aan de [adres 3] liep. [naam medeverdachte 1] liep naar de woning en liep vervolgens door richting nabij gelegen garageboxen. Op beelden van de bewakingscamera van de [straatnaam 1] was te zien dat [naam medeverdachte 1] kort de voortuin van de woning aan de [adres 3] instapte, voordat hij doorliep richting de garageboxen. Nadat een andere politie-eenheid de [straatnaam 1] inreed, liep [naam medeverdachte 1] terug over de [straatnaam 1] en liep hij voorbij de woning met nummer 19. Op camerabeelden was te zien dat [naam medeverdachte 1] ter hoogte van de woning aan de [adres 3] iets weggooide in de bosjes en vervolgens doorliep richting de Amstelstraat. Na de staandehouding van [naam medeverdachte 1] vond de politie naast de heg tegenover de woning aan de [adres 3] een Cobra 6 en een wit plastic tasje met daarin een flesje met (wat later bleek) benzine. Ongeveer zes meter verder, ter hoogte van de woning aan de [straatnaam 1] 21, vond de politie een aansteker.
De verdediging heeft bepleit dat geen sprake is geweest van een poging tot het teweeg brengen van een ontploffing of van brandstichting, maar hoogstens van (niet ten laste gelegde) voorbereidingshandelingen. De rechtbank volgt dit standpunt niet en legt hierna uit waarom.
Juridisch kader
Voor een strafbare poging tot het plegen van een misdrijf is vereist dat het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. Volgens de Hoge Raad is sprake van een begin van uitvoering indien de door de verdachte verrichte gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm in voldoende concrete mate waren gericht op de voltooiing van het misdrijf. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is geweest van een begin van uitvoering, komt het aan op de feiten en omstandigheden van het concreet voorliggende geval. Een belangrijke beoordelingsfactor daarbij is hoe dicht de vastgestelde gedragingen bij de voltooiing van het voorgenomen misdrijf lagen, bijvoorbeeld in tijd en/of plaats, en hoe concreet deze daarop waren gericht. Verder kan het bij een poging gaan om een samenstel van gedragingen, met inbegrip van die van eventuele andere deelnemers. De aard van het misdrijf kan van belang zijn, maar niet noodzakelijk is dat al een bestanddeel van het misdrijf is vervuld.
Uit de bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van de medeverdachte [naam medeverdachte 2] (hierna: [voornaam]), volgt dat [naam medeverdachte 1] op de late avond van 2 februari 2024 met een snorder van Amsterdam naar Alkmaar is gekomen. [naam medeverdachte 1] had een tasje bij zich met daarin een Cobra 6 en een flesje benzine. Dit flesje had hij eerder die avond zelf bij een tankstation gevuld met benzine. Deze Vuurwerk Brandstof Combinatie (hierna ook: VBC) is geschikt om een ontploffing/brand te veroorzaken.
Uit de chatgesprekken die [naam medeverdachte 1] op 2 en 3 februari 2024 met anderen heeft gevoerd, ontstaat het beeld dat [naam medeverdachte 1] met die meegenomen VBC bij de woning aan de [adres 3] een ontploffing moest veroorzaken. Zo vroeg ene “Wrb” een kleine tien minuten voor de staandehouding van [naam medeverdachte 1] per sms-bericht aan [naam medeverdachte 1] of “die c6 aan die fles” was. [naam medeverdachte 1] antwoordde hierop: “ja, lont is lang” en “is in een zak samen”. Gevraagd of hij ook moet filmen, schreef [naam medeverdachte 1] vervolgens aan “Wrb”: “jamn filmen ook” en “gw 1 hand film 1 hand aansteken”.
De rechtbank komt in het licht van de hierboven beschreven feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, tot het oordeel dat sprake is geweest van een begin van uitvoering. Het was de bedoeling van [naam medeverdachte 1] om de VBC bij de woning aan de [adres 3] tot ontploffing te brengen. [naam medeverdachte 1] is met dat doel naar Alkmaar gekomen, in de nabije omgeving van de [straatnaam 1] uit de auto van de snorder gestapt en vervolgens met het tasje met de VBC richting de woning aan de [adres 3] gelopen. Hij is de voortuin van die woning kort ingelopen, voordat hij doorliep richting nabije garageboxen. Vervolgens is [naam medeverdachte 1] teruggelopen richting de woning op nummer 19 en heeft hij het tasje met de VBC in de heg tegenover deze woning gegooid omdat een politie-eenheid de [straatnaam 1] inreed. Deze gedragingen zijn naar het oordeel van de rechtbank naar hun uiterlijke verschijningsvorm in voldoende concrete mate gericht op de voltooiing van het misdrijf. De gedragingen van [naam medeverdachte 1] lagen in tijd en plaats heel dicht bij de voltooiing van het misdrijf en hij zou het misdrijf hebben voltooid als hij niet was gestoord door de politie. Dat geen sprake zou zijn van een poging omdat [naam medeverdachte 1] geen lucifers of aansteker bij zich had, volgt de rechtbank niet. Op korte afstand van de plek waar de Cobra 6 en het tasje met de flesje benzine lagen, is namelijk een aansteker aangetroffen. De rechtbank acht het zeer aannemelijk dat deze aansteker, net als de Cobra en het tasje, door [naam medeverdachte 1] is weggegooid toen hij de politie zag.
Gelet op het voorgaande, kan het verweer van de raadsvrouw dat sprake was van een absoluut ondeugdelijke poging ook niet slagen.
Medeplegen
Op de avond van 2 februari 2024 vindt een Snapchat-gesprek plaats tussen [naam medeverdachte 1] en [voornaam], waarin [voornaam] zegt dat er een opdracht (‘model’) in Alkmaar is. Er wordt gesproken over het regelen van vervoer en het fixen van een “c6” (de rechtbank begrijpt: Cobra 6). [voornaam] heeft verklaard dat hij die avond met [naam medeverdachte 1] naar een tankstation is gereden om daar een flesje met benzine te vullen. Dit deed hij omdat dat moest van de opdrachtgever. [voornaam] heeft [naam medeverdachte 1] het adres gegeven waar hij in Alkmaar naar toe moest en hem afgezet bij een snorder die [naam medeverdachte 1] naar Alkmaar zou vervoeren. [voornaam] heeft, kortom, [naam medeverdachte 1] aangestuurd.
Op de iPhone 15 van de verdachte staat op 2 februari 2024 om 22.18 uur op de tijdlijn een screenshot met de tekst ‘2 ossos Alkmaar c6 met benzine bomme’. Op 22.20 uur is een screenshot te zien van een chatgesprek met ‘Expensive Pain’. De gebruiker van dit account is geïdentificeerd als [naam 2]. ‘Expensive Pain' zegt “oke Hoelang" en “neeman pla
(de rechtbank begrijpt: geld)kan gelijk opgehaald worden als is gekino
(de rechtbank begrijpt: gefilmd)". “lk" zegt “mitta” en ‘bel ze nu Voorschot”.
Op 23.25 uur is op de tijdlijn van de telefoon van de verdachte een zwarte afbeelding met de tekst ‘Tegel door de voorruit en dan die ding na binnen, kino maken en wegwezen morgen doen ze die andere adje
(de rechtbank begrijpt: adres)’. Deze zelfde afbeelding is ook aangetroffen op de telefoon van [voornaam]. De versie op de telefoon van de verdachte is een minuut eerder gemaakt.
Op 2 februari 2024 om 23:25 uur is op de tijdlijn van de telefoon van de verdachte een screenshot te zien van een chatgesprek tussen ‘Expensive Pain’ en ‘Ik’. “Ik” zegt "En die adje van morgen. 2.5?" waarop ‘Expensive Pain' zegt "yes". De interpretatie van de politie is dat voor het adres van morgen 2500 euro wordt betaald. ‘Expensive Pain’ zegt "die man v me Zegt nu Tegel hoeft niet Tegen die raam van die woonkamer plakken aansteken Kino Wegwezen Laten ze niet met eigen Karie gaan” Dit betekent volgens de politie dat de opdrachtgever van [naam 2] zegt dat er geen tegel door de ruit heen hoeft, maar dat het explosief tegen het raam geplakt kan worden. Er moet een video van de explosie gemaakt worden en dan wegwezen. Ze moeten niet het hun eigen auto gaan.
Op 3 februari om 01:03:31 uur, is op de tijdlijn van de verdachte een screenschot van een kaart zichtbaar, waarop te zien is dat ‘[accountnaam 2]’ zich bevindt ter hoogte van het politiebureau in Alkmaar. De tekst op de afbeelding is “hopen dat hij het al heeft geklaard". ‘[accountnaam 2]' is de gebruikersnaam van [naam medeverdachte 1].
De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat de verdachte de opdracht voor de aanslag op de [adres 3] in Alkmaar en het filmen daarvan heeft ontvangen van [naam 2] en dat de verdachte deze opdracht vervolgens heeft doorgezet naar [voornaam] (die op zijn beurt de uitvoerder, [naam medeverdachte 1], heeft aangestuurd). De verdachte geeft instructies aan [voornaam] met betrekking tot de uitvoering (‘Tegel door de voorruit en dan die ding na binnen, kino maken en wegwezen morgen doen ze die andere adje’) en maakt afspraken over de betaling (‘pla’, ‘voorschot’ en ‘morgen. 2.5’). De verdachte meldt [naam 2] ook dat hij de anderen zal bellen (‘bel ze nu’).
Uit het screenshot van de livelocatie van [naam medeverdachte 1] op de telefoon van de verdachte blijkt dat de verdachte bovendien de voortgang van de uitvoering van de opdracht in de gaten houdt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte hiermee een essentiële en onmisbare rol gespeeld in de uitvoering van de poging tot ontploffing/brandstichting. Zijn bijdrage was van voldoende gewicht om van de voor een bewezenverklaring van medeplegen noodzakelijke nauwe en bewuste samenwerking te kunnen spreken. De rechtbank acht het primair ten laste gelegde medeplegen daarom bewezen.
Gevaarzetting
De rechtbank is van oordeel dat in het geval van ontploffing van de VBC bij de woning aan de [adres 3], sprake zou zijn geweest van gemeen gevaar voor goederen, namelijk materiële schade aan die woning en/of aangrenzende woningen.
De rechtbank acht niet bewezen dat ook sprake zou zijn geweest van potentieel (levens)gevaar voor andere personen dan uitvoerder [naam medeverdachte 1]. De verdachte zal daarom van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken. Voor deze conclusie is allereerst van belang dat de woning aan de [adres 3] door de burgemeester was gesloten en er in de nacht van 3 februari 2024 niemand in de woning aanwezig was. Uit het dossier wordt verder niet duidelijk of de bewoners van nabijgelegen woningen thuis waren en, zo ja, waar zij zich bevonden op het moment dat [naam medeverdachte 1] de woning aan de [adres 3] naderde. Evenmin volgt uit het dossier op welke afstand tot de woning aanwezige politieagenten zich bevonden en of zich nog andere personen in de (directe) omgeving van de woning bevonden.
Met betrekking tot feit 6 primair
Begin van uitvoering
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen het volgende vast.
De medeverdachte [naam medeverdachte 3] (hierna: [naam medeverdachte 3]) heeft op 2 februari 2024 de medeverdachte [naam medeverdachte 4], thans genaamd [naam 3], (hierna: [naam medeverdachte 4]) de opdracht gegeven om tegen betaling VBC’s bij een woning in Alkmaar te plaatsen. [naam medeverdachte 4] heeft deze opdracht aanvaard en heeft daarop medeverdachte [naam medeverdachte 5] (hierna: [naam medeverdachte 5]) ingeschakeld als uitvoerder. [naam medeverdachte 5] heeft zich bereid verklaard tegen betaling de VBC’s voor de woning te plaatsen. [naam medeverdachte 4] heeft met [naam medeverdachte 5] via Snapchat gecommuniceerd over het verkrijgen van materialen voor de VBC’s. [naam medeverdachte 3] heeft de verdachte via Snapchat laten weten waar hij Cobra’s kon ophalen.
Op 4 februari 2024 heeft [naam medeverdachte 4] de Cobra’s vervolgens opgehaald in Amsterdam, waarna hij de Cobra’s aan twee flessen wasbenzine heeft vastgeplakt. Diezelfde avond heeft [naam medeverdachte 4] met zijn auto [naam medeverdachte 5] opgehaald in Utrecht. De VBC’s bevonden zich in een plastic tas in de auto. [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 5] zijn samen naar Alkmaar gereden. Op enig moment is [naam medeverdachte 5] uit de auto gestapt en heeft hij de twee VBC’s voor de voordeur van de woning aan de [adres 3] neergezet. Daarna is [naam medeverdachte 5] met versnelde pas weggelopen.
Met betrekking tot de vraag of sprake is van het voor een strafbare poging vereiste begin van uitvoering verwijst de rechtbank in de eerste plaats naar het juridisch kader dat hiervoor uiteen is gezet (onder feit 5 primair).
De rechtbank is van oordeel dat sprake is geweest van een begin van uitvoering van een poging tot het teweeg brengen van een ontploffing en/of brandstichting en overweegt daartoe als volgt.
Op 4 februari om 19.05 uur is op de tijdlijn van de telefoon van de verdachte een screenshot te zien met de tekst: ‘[straatnaam 2] achternaam [naam 4] moeten ze zoeken en daar laaien’. Op 4 februari om 19.53 stuurt [naam medeverdachte 3] aan [naam medeverdachte 4] hetzelfde screenshot door. [naam medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij dit bericht had gekregen van ‘Rt’ en dat met ‘laaien’ werd bedoeld: uitvoeren, tot ontploffing brengen. Hieruit volgt dat het van meet af aan de bedoeling was dat een ontploffing zou plaatsvinden. Met deze opdracht zijn [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 5] naar Alkmaar gereisd, met twee zelfgemaakte, gebruiksklare VBC’s bij zich. [naam medeverdachte 5] is met een tas met daarin de VBC’s naar de voordeur van de [adres 3] gelopen. Al lopend pakt hij iets uit de tas, bukt voor de deur en zet daar iets neer, pakt opnieuw de tas om daar iets uit te pakken en kijkt dan achter zich. Op dat moment rijdt de politie de straat in en rent [naam medeverdachte 5] weg. Voor de voordeur worden twee VBC’s aangetroffen.
Deze gedragingen zijn naar het oordeel van de rechtbank naar hun uiterlijke verschijningsvorm in voldoende concrete mate gericht op de voltooiing van het misdrijf. De gedragingen van [naam medeverdachte 5] lagen in tijd en plaats heel dicht bij het misdrijf en [naam medeverdachte 5] zou het misdrijf hebben voltooid als de komst van de politie dit niet had verhinderd. Dat geen vuurbron is aangetroffen is naar het oordeel van de rechtbank geen contra-indicatie voor het aannemen van een begin van uitvoering, reeds omdat [naam medeverdachte 5] heeft weten te ontkomen vanaf de plaats delict en niet ter plaatse is aangehouden. Het is met andere woorden geenszins uitgesloten dat hij een aansteker of andere vuurbron bij zich had op de plaats delict. Bovendien blijkt uit voornoemde berichten dat het de bedoeling was om de VBC’s tot ontploffing te brengen.
De verklaring van [naam medeverdachte 5] dat zijn opdracht niet verder strekte dan het voor de deur neerleggen van de VBC’s en dat het niet de bedoeling was deze aan te steken is in strijd met de verklaring van [naam medeverdachte 4] dat hij wel wist dat er ‘iets in de fik gestoken zou worden.’ De rechtbank acht deze verklaring van [naam medeverdachte 5] dan ook ongeloofwaardig.
Medeplegen
In de telefoon van [naam medeverdachte 3] wordt, na voornoemd doorgestuurde bericht over de [straatnaam 3] op de avond van 4 februari 2024, een screenshot aangetroffen van een chatgesprek van Rt met een derde persoon en een bericht van Rt aan [naam medeverdachte 3]. Vastgesteld is dat Rt een gebruikersnaam op Snapchat is van de verdachte. Het bericht dat Rt om 22.14 uur ontvangt van Expensive, geïdentificeerd als [naam 2], luidt: ‘Dan zeg ze ga naar die Lek maar zet whip
(de rechtbank begrijpt: auto)voor de deur snel plakken op die raam Kino maken vanuit waggie Gas erop Dan komen ze makkelijk loezoe’. Het bericht van 22.25 uur van de verdachte (Rt) aan [naam medeverdachte 3] luidt: ‘Ze moeten naar andere adje. En die doen plakken tegen die raam [straatnaam 1] nummer 19". Om 22.39 uur stuurt de verdachte (Rt) aan [naam medeverdachte 3]: ‘Gwn waggie voor deur zetten beste dan plakken op raam driver filmt gassen erop en naar de buurt’.
Uit deze berichten blijkt duidelijk dat de verdachte concrete instructies (door)geeft aan [naam medeverdachte 3] over wat er moet gebeuren, waar en op welke manier. Dit wordt bevestigd door de verklaring van [naam medeverdachte 3]. [naam medeverdachte 3] heeft namelijk verklaard dat hij en [naam medeverdachte 4] door de verdachte zijn benaderd om een explosief te plaatsen bij een woning in Alkmaar en dat hij de instructies van de verdachte doorstuurde aan de uitvoerders. De voor de VBC’s gebruikte Cobra’s zijn bij de verdachte thuis opgehaald. Bovendien is op de telefoon van de verdachte op 4 februari 2024 om 22.43 uur een screenshot te zien waarop staat ‘Blauw heeft stopteken gegeven. Persoon is die shit ging doen weggerend’. Kennelijk wordt de verdachte ook op de hoogte gehouden van de situatie ter plaatse, want de politie heeft [naam 3] inderdaad een stopteken gegeven en [naam medeverdachte 5] is weggerend.
Gelet op het voorgaande heeft de verdachte een sturende rol gespeeld in de uitvoering van de poging tot ontploffing/brandstichting en hij heeft daarbij nauw en bewust samengewerkt met de medeverdachten. De rechtbank acht het primair ten laste gelegde medeplegen daarom bewezen.
Gevaarzetting
De rechtbank acht niet bewezen dat in geval van ontploffing van de VBC’s bij de woning aan de [adres 3] gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of levensgevaar te duchten zou zijn geweest. De rechtbank verwijst hiertoe naar hetgeen hiervoor bij feit 5 is overwogen met betrekking tot de gevaarzetting.
Met betrekking tot feit 7 primair
Begin van uitvoering
Op 10 februari 2024, net na middernacht, hebben zowel de medeverdachte [naam medeverdachte 6] (hierna: [naam medeverdachte 6] ) als de medeverdachte [naam medeverdachte 7] (hierna: [naam medeverdachte 7]) via hun Snapchat-accounts contact met de gebruiker van Snapchat-account [naam 6], gebruikersnaam [naam 5]. In opdracht van [naam 5] gaan zowel [naam medeverdachte 7] als [naam medeverdachte 6] op zoek naar een ‘speler’/‘bully’, dat wil zeggen iemand die een Cobra 6 tot ontploffing moet brengen bij de woning aan de [adres 3]. Met [naam 5] spreken ze over de betaling voor de opdracht. [naam 5] geeft [naam medeverdachte 7] en [naam medeverdachte 6] de opdracht de Cobra tegen het raam te (laten) plakken en schrijft dat er gefilmd moet worden.
Medeverdachte [naam medeverdachte 8] (hierna: [naam medeverdachte 8]) wordt bereid gevonden om tegen betaling de Cobra op de woning te plakken. [naam medeverdachte 7] en [naam medeverdachte 6] halen [naam medeverdachte 8] samen met de auto op, waarbij [naam medeverdachte 7] de bestuurder is. Samen met nog twee anderen rijden ze in één auto richting Alkmaar. In de auto is een Cobra 6 aanwezig. [naam medeverdachte 6] informeert [naam 5] over het feit dat ze de ‘bully’ gaan ophalen en dat zij onderweg zijn. Om 02:35 uur ziet een politieagent de auto in de buurt van de [straatnaam 1] in Alkmaar rijden en parkeren. [naam medeverdachte 8] stapt uit de auto met in zijn handen een Cobra en een aansteker. Ook heeft hij een rol plakband bij zich. Hij loopt in de richting van de woning aan de [adres 3]. Wanneer hij politie ziet, loopt hij de woning voorbij en gooit de Cobra weg in de voortuin van de woning aan de [straatnaam 1] 21. Op de behuizing van de Cobra zit plakband. Ook op de broek van [naam medeverdachte 6] ziet de politie een stuk plakband.
[naam medeverdachte 8] verklaart tegenover de politie dat hij een Cobra tot ontploffing moest brengen bij een woning waarvan hij het adres niet meer weet, maar het adres [adres 3] komt hem wel bekend voor. Gelet op de Snapchat-gesprekken en de verklaringen van [naam medeverdachte 6] en [naam medeverdachte 7], gaat de rechtbank ervan uit dat [naam medeverdachte 8] de instructie had gekregen de Cobra tot ontploffing te brengen bij de woning aan de [adres 3]. [naam medeverdachte 8] verklaart verder dat hij plakband bij zich had om de Cobra ergens op te plakken.
Met betrekking tot de vraag of sprake is van het voor een strafbare poging vereiste begin van uitvoering verwijst de rechtbank in de eerste plaats naar het juridisch kader dat hiervoor uiteen is gezet (onder feit 5 primair).
In het licht van de geschetste feiten en omstandigheden komt de rechtbank tot het oordeel dat sprake is geweest van een begin van uitvoering. De verdachten wilden met plakband een Cobra aan de woning aan de [adres 3] in Alkmaar bevestigen en deze tot ontploffing brengen. [naam medeverdachte 8] is met dit doel in de buurt van de [straatnaam 1] de auto uit gestapt en richting de woning aan de [adres 3] gelopen met in zijn handen een Cobra met plakband erop en een aansteker. Toen hij de politie zag, is hij voorbij de woning aan de [adres 3] gelopen en heeft hij de Cobra in de voortuin van [straatnaam 1] 21 gegooid. Deze handelingen zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm in voldoende concrete mate gericht op de voltooiing van het misdrijf. De gedragingen van [naam medeverdachte 8] lagen in tijd en plaats heel dicht bij de voltooiing van het misdrijf en hij zou het misdrijf hebben voltooid als hij niet was gestoord door de politie. Dat de lont van de Cobra nog niet was aangestoken, doet hier niet aan af.
Medeplegen
In de onder de verdachte in beslag genomen iPhone 12 Pro stond als geconfigureerd account geregistreerd: [accountnaam 1]. Voor Snapchat stond als gebruikersnaam geregistreerd: [naam 5], met een icoontje van een adelaar en als username: [naam 6]. De rechtbank gaat er daarom, evenals de politie, vanuit dat de verdachte de gebruiker is van het account [naam 6] / [naam 5].
Uit het onderzoek is verder komen vast te staan dat medeverdachte [naam medeverdachte 7] de gebruiker is van het account ‘[accountnaam 5]’ en medeverdachte [naam medeverdachte 6] de gebruiker van het account ‘[accountnaam 4]’.
Omwille van de leesbaarheid worden hierna de (gebruikers van) de accounts ‘[naam 6]’ / ‘[naam 5]’, ‘[accountnaam 5]’ en ‘[accountnaam 4]’ aangeduid als respectievelijk de verdachte, [naam medeverdachte 7] en [naam medeverdachte 6].
Op 10 februari 2024 om 00.25 uur vraagt de verdachte op Snapchat aan [naam medeverdachte 7] of hij nog een ‘speler’ heeft gevonden. [naam medeverdachte 7] zegt dat hij misschien iemand heeft en vraagt aan de verdachte waar de ‘jobbo’ is. ‘Alkmaar’ is het antwoord van de verdachte. Op de vraag ‘wnr?’
(de rechtbank begrijpt: wanneer)antwoordt de verdachte: ‘nu vanavond’. Als [naam medeverdachte 7] meldt: ‘de boys zijn fit, is alles gefix’, vraagt de verdachte: ‘hebben ze Cobras of pipe’
(de rechtbank begrijpt: pistool).[naam medeverdachte 7] zegt: ‘P wel maar cobra nii’. De verdachte zegt dan: ‘laten ze gwn bokken
(de rechtbank begrijpt: schieten)op de osso. 2500 geef ik ze’. Vervolgens geeft [naam medeverdachte 7] aan dat ‘bokken4k’ is, ‘maar cobra 2.5’. Vervolgens geeft de verdachte het adres [adres 3] door. [naam medeverdachte 7] stuurt dit adres door aan [naam medeverdachte 6].
Aansluitend vindt een groepsgesprek plaats tussen de verdachte, [naam medeverdachte 7] en [naam medeverdachte 6]. Om 00.54 uur meldt [naam medeverdachte 6] dat hij zo onderweg gaat. De verdachte vraagt hem een screenshot te sturen van de navigatie als hij onderweg is. [naam medeverdachte 6] zegt om 01.10 uur dat ze de speler gaan ophalen. De verdachte waarschuwt dat ze scherp moeten zijn, want er zijn daar veel camera’s. Elf minuten later zegt de verdachte ‘Die man zegt plak het tegen het raam en film. Niet gooie’ en vraagt nogmaals naar de navigatie. [naam medeverdachte 6] informeert even later naar het geld, de ‘doekoe’. De verdachte zegt dat zij hiervoor samen naar de man gaan. Om 2.35 uur meldt [naam medeverdachte 6] dat zij er zijn.
[naam medeverdachte 7] heeft verklaard dat hij door ‘[naam 5]’ (de verdachte) is benaderd om vuurwerk op een deur te plakken van een woning op de [adres 3] in Alkmaar en dat als bewijs te filmen. De beloning zou 2.500,- euro zijn. De Cobra hadden ze opgehaald bij de opdrachtgever.
Uit deze berichten blijkt dat de verdachte bij [naam medeverdachte 7] en [naam medeverdachte 6] de opdracht uitzet om een Cobra 6 op een woning op het adres [adres 3] in Alkmaar te plakken. De verdachte geeft daarbij nauwkeurige instructies wat er moet gebeuren, hoe en waar en dat het gefilmd moet worden. Ook maakt de verdachte afspraken met de uitvoerders over de hoogte van de beloning en vraagt hij meermaals naar een screenshot van de navigatie van [naam medeverdachte 7] en [naam medeverdachte 6]. De verdachte is er kennelijk op gebrand om de voortgang van de uitvoering de opdracht op de voet te kunnen volgen. Uit de verklaring van [naam medeverdachte 7] volgt verder dat de verdachte de Cobra voor de beoogde aanslag aan [naam medeverdachte 7] en [naam medeverdachte 6] heeft verstrekt.
Gelet op het voorgaande heeft de verdachte een sturende en essentiële rol gespeeld in de uitvoering van de poging tot ontploffing/brandstichting en hij heeft daarbij nauw en bewust samengewerkt met de medeverdachten. De rechtbank acht het primair ten laste gelegde medeplegen daarom bewezen.
Gevaarzetting
De rechtbank acht niet bewezen dat in geval van ontploffing van de Cobra 6 bij de woning [adres 3] gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of levensgevaar te duchten zou zijn geweest. De rechtbank verwijst hiertoe naar hetgeen hiervoor bij feit 5 is overwogen met betrekking tot de gevaarzetting.