ECLI:NL:RBNHO:2026:2151
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - meervoudig
- M. van Doesburg
- A.A. Fase
- G.H. de Soeten
- Rechtspraak.nl
Afwijzing geruisloze inbreng onderneming in persoonlijke houdster wegens niet voldoen aan voorwaarden
Belanghebbende heeft zijn aandeel in een onderneming ingebracht in zijn persoonlijke houdstermaatschappij en verzocht om toepassing van de geruisloze omzettingsfaciliteit op grond van artikel 3.65 Wet IB 2001. De inspecteur heeft dit verzoek afgewezen omdat sprake is van een geheel van rechtshandelingen gericht op overdracht van de onderneming aan een derde, wat de toepassing van de faciliteit uitsluit.
De rechtbank stelt vast dat belanghebbende op dezelfde dag de maatschapsaandelen inbracht in zijn persoonlijke holding, gevolgd door een dooroverdracht aan een andere vennootschap, waarbij het bedrijfspand met stille reserves achterbleef. Hierdoor is de onderneming binnen drie jaar overgedragen, waardoor niet wordt voldaan aan de voorwaarden van het Besluit geruisloze omzetting.
Belanghebbende voerde aan dat geen fiscale claim verloren gaat en dat het vertrouwens- en evenredigheidsbeginsel geschonden zijn. De rechtbank oordeelt dat het vertrouwensbeginsel niet slaagt omdat de aanslag vennootschapsbelasting conform aangifte is opgelegd en dat het evenredigheidsbeginsel niet van toepassing is omdat de inspecteur geen discretionaire bevoegdheid heeft bij de toepassing van het besluit.
De rechtbank concludeert dat de geruisloze omzetting niet kan worden toegepast en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de geruisloze inbreng van de onderneming in de persoonlijke houdstermaatschappij.