ECLI:NL:RVS:2012:BV8619
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit verblijfsvergunning in het kader van het EU-burgerschap en gezinsleven
De vreemdeling, houder van de Marokkaanse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de minister werd geweigerd. De vreemdeling betoogde dat zijn minderjarige dochter, die de Nederlandse nationaliteit bezit en daarmee burger van de Unie is, door deze weigering feitelijk zou worden verplicht het grondgebied van de Unie te verlaten, omdat hij degene is die de zorg voor het kind draagt.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, maar de Raad van State oordeelt dat de rechtbank en de minister onvoldoende hebben onderkend dat het recht van de EU-burger op verblijf in de Unie in uitzonderlijke situaties kan worden aangetast wanneer het kind gedwongen wordt de Unie te verlaten. De Raad stelt dat de minister onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de echtgenote van de vreemdeling, die de zorg voor het kind kan dragen met hulp van maatschappelijke instellingen, niet in staat is voor het kind te zorgen.
Daarnaast oordeelt de Raad dat de minister het gelijkheidsbeginsel niet deugdelijk heeft gemotiveerd bij de afwijzing van de verblijfsvergunning en dat de hoorplicht van de vreemdeling in bezwaar is geschonden. De Raad vernietigt daarom het besluit van de minister en de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep gegrond en veroordeelt de minister tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het besluit van de minister om de verblijfsvergunning te weigeren wordt vernietigd en het beroep van de vreemdeling wordt gegrond verklaard.