Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:4438

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
HAA 25/3682
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WhtArt. 2.7 WhtArt. 7:12 AwbArt. 3:4 AwbArt. 8:29 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag 2005 wegens niet overschrijden drempel hardheidsregeling

Eiseres verzocht om herbeoordeling en compensatie van de kinderopvangtoeslag (KOT) over 2005, nadat een bedrag van €383 was teruggevorderd. De Belastingdienst wees dit verzoek af, waarna eiseres bezwaar en beroep instelde. De rechtbank oordeelt dat het teruggevorderde bedrag onder de drempel van €1.500 blijft die geldt voor toepassing van de hardheidsregeling in de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).

De rechtbank stelt vast dat er geen sprake is van institutionele vooringenomenheid, omdat de terugvordering terecht was en de kinderopvangtoeslag correct is vastgesteld. Hoewel de kinderopvanginstelling het resterende bedrag ineens ontving terwijl het kind al naar school ging, is dit geen grond voor compensatie binnen de Wht. De hardheidsclausule kan alleen in bijzondere, schrijnende gevallen worden toegepast, maar eiseres heeft geen actuele schrijnende omstandigheden aangetoond.

Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel wordt verworpen, omdat de wetgever bewust een drempel van €1.500 heeft gesteld om disproportionele compensaties te voorkomen. De rechtbank concludeert dat het besluit van de Belastingdienst voldoende is gemotiveerd en verklaart het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep van eiseres op compensatie voor kinderopvangtoeslag 2005 wordt ongegrond verklaard vanwege het niet overschrijden van de drempel van €1.500 en het ontbreken van schrijnende omstandigheden.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/3682

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. C.L. Mens),
en

Belastingdienst Toeslagen, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft bij besluit van 8 juni 2023 het verzoek van eiseres om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna ook: KOT) over het toeslagjaar 2005 afgewezen.
Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt.
Verweerder heeft bij beslissing op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard en de beschikking gehandhaafd.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.
Verweerder heeft voor een aantal door hem in beroep overgelegde stukken een verzoek om beperkte kennisneming in de zin van artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedaan. Dit verzoek is door de geheimhoudingskamer van de rechtbank beoordeeld. Voor het procesverloop wordt in zoverre verwezen naar de beslissing van de geheimhoudingskamer van 3 december 2025. In die beslissing is bepaald dat de door verweerder gevraagde beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. De rechtbank heeft geen kennis genomen van deze stukken en doet uitspraak zonder inachtneming hiervan.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2025 te Haarlem. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam] .

Overwegingen

Feiten
1. Aan eiseres is met betrekking tot het jaar 2005 op 2 augustus 2005 een voorschotbedrag KOT toegekend van in totaal € 2.137.
2. De KOT is door de kinderopvanginstelling (hierna: de KOI) aangevraagd en is rechtstreeks aan de KOI uitbetaald.
3. Op 10 augustus 2005 en 12 september 2005 is telkens een voorschotbedrag van € 428 uitbetaald aan de KOI.
4. Op 4 oktober 2005 is er telefonisch contact opgenomen met verweerder inzake de KOT van eiseres. Van het gesprek is de volgende notitie opgemaakt door verweerder in het kader van een terugbelverzoek:
“De kinderopvang wil graag de tegemoetkoming in een bedrag ontvangen, daar het kind geen gebruik meer maakt van de opvang. Dezze gaat nu naar de basisschool. Ik heb haar al verteld dat dit vrijwel zeker niet wordt gehonoreerd.”
5. Op 6 oktober 2005 is er door verweerder teruggebeld naar het opgegeven telefoonnummer. Door verweerder is daarvan de volgende notitie gemaakt:
“Mevrouw gesproken gezegd dat ik een termijn aanpassing laat doen, omdat ook de uren correct zijn. Mevrouw gezegd dat het rest bedrag deze of volgende maand in 1 keer uitbetaald wordt. Mevrouw wacht het af.”
6. Op 12 oktober 2005 is een voorschotbedrag van € 1.281 uitbetaald aan de KOI. Hiermee is in totaal € 2.137 uitbetaald aan voorschotbedragen.
7. Op 22 november 2005 stuurde verweerder aan eiseres een brief, waarin stond dat twijfel was gerezen over de vraag of eiseres op basis van haar verblijfsstatus in Nederland wel recht op KOT had. In de basisadministratie van de gemeente (hierna: GBA) stond dat eiseres en haar kind geen geldige verblijfstitel hadden. Verweerder vroeg eiseres om een reactie binnen een termijn van 14 dagen.
8. Eiseres heeft op die brief gereageerd en voegde als bijlage een brief van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) bij, waarin stond vermeld dat er een foute titelcode in de GBA was opgenomen die met terugwerkende kracht is hersteld en dat eiseres en haar kind over een geldige verblijfstitel beschikten.
9. Aan eiseres is op 29 januari 2007 een herziene voorschotbeschikking opgelegd. De herziening had tot gevolg dat eiseres een teveel uitbetaald bedrag aan KOT van € 383 moest terugbetalen.
10. Met dagtekening 29 mei 2007 is de KOT definitief berekend op € 1.769.
11. Eiseres heeft geprobeerd om het van haar teruggevorderde bedrag op haar beurt terug te vorderen bij de KOI, maar dit is niet gelukt omdat de instelling failliet is gegaan.
Herbeoordeling
12. Op 18 januari 2021 heeft eiseres bij verweerder een verzoek ingediend tot een herbeoordeling van het recht op KOT met betrekking tot het jaar 2005.
13. Bij beschikking van 28 maart 2022 heeft verweerder beslist dat eiseres volgens de eerste toets niet in aanmerking komt voor de vergoeding van € 30.000 (de zogenoemde Catshuisregeling, neergelegd in artikel 2.7, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen; hierna de Wht), maar dat verweerder de situatie van eiseres nog wel zou herbeoordelen.
14. Verweerder heeft vervolgens een voorlopige beoordeling gemaakt van de vraag of eiseres in aanmerking komt voor toepassing van de compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht. De voorlopige conclusie van verweerder is dat er geen recht bestaat op compensatie.
15. Op 26 april 2023 heeft de Commissie van Wijzen die voorlopige conclusie van verweerder onderschreven. De beoordeling luidt – voor zover hier relevant – als volgt:

Beoordeling Commissie van wijzen
3.3.
Voor het toeslagjaar 2005 is op 2 augustus 2005 een voorschot van € 2.137 vastgesteld. Op 10 augustus en 12 september is een voorschotbedrag van € 428 uitbetaald aan de kinderopvanginstelling. Op 4 en 6 oktober 2005 is er contact geweest tussen de Belastingdienst./Toeslagen en belanghebbende. Daarbij heeft belanghebbende aangegeven dat het kind per oktober naar het basisonderwijs gaat en de kinderopvanginstelling om die reden heeft verzocht om de resterende kinderopvangtoeslag in een keer uitgekeerd te krijgen. De periode waarop het voorschot zag is vervolgens door de Belastingdienst/Toeslagen aangepast en aan de
hand van de opvanguren die zijn doorgegeven is op 12 oktober 2005 aanvullend een bedrag van € 1.281 uitbetaald aan de kinderopvanginstelling. Het definitieve bedrag van de kinderopvangtoeslag is met inachtneming van de gegevens die op dat moment voorhanden waren lager vastgesteld op € 1.769. Er zijn geen aanwijzingen dat voor het toeslagjaar 2005 vooringenomen is gehandeld.
3.4.
Voor het toeslagjaar 2005 zijn er geen aanwijzingen voor onbillijkheden als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet, reeds omdat daarvoor een drempelbedrag geldt van € 1.500. De terugvorderingen van belanghebbende van een bedrag van € 383 blijft beneden die drempel.”
16. Bij definitieve beschikking van 8 juni 2023 heeft verweerder beslist dat eiseres niet in aanmerking komt voor compensatie van KOT voor het jaar 2005, omdat bij de beoordeling van de KOT geen fouten zijn gemaakt door verweerder.
17. Tegen deze beschikking heeft eiseres bezwaar gemaakt. Op 20 mei 2025 heeft de hoorzitting in de bezwaarfase plaatsgevonden.
18. Op 25 juni 2025 heeft de bezwaarschriftenadvies-commissie (BAC) haar advies overgedragen aan verweerder waarin zij adviseert om het bezwaar ongegrond te verklaren. De overwegingen van de BAC luiden – voor zover hier relevant – als volgt:

Herbeoordeeld toeslagjaar
Toeslagjaar 2005
De Commissie is van oordeel dat er geen sprake is van institutionele vooringenomenheid.
Vaststaat dat het kind van belanghebbende vanaf oktober 2005 niet meer naar de
opvang ging. De KOT over oktober, november en december 2005 mocht dan ook (in
beginsel) worden teruggevorderd.
Belanghebbende stelt dat Belastingdienst/Toeslagen heeft bijgedragen aan het ontstaan
van de terugvordering van € 383 door op onzorgvuldige wijze de resterende KOT voor
het gehele jaar 2005 in één keer uit te betalen aan de kinderopvanginstelling. Er is sprake van een dubieuze gang van zaken, omdat op 4 oktober 2005 de kinderopvanginstelling telefonisch heeft verzocht om de resterende KOT uit te betalen, terwijl het kind van belanghebbende vanaf begin oktober niet meer naar de opvang ging, maar naar de basisschool. Op 12 oktober 2005 is een bedrag van € 1.281 overgemaakt aan de kinderopvanginstelling. Belanghebbende heeft zich daarom op het standpunt gesteld dat de hardheidsregeling van toepassing zou moeten zijn.
In de situatie dat de KOT rechtstreeks aan de kinderopvanginstelling is betaald, hanteert
UHT de voorwaarde dat het door de kinderopvanginstelling achtergehouden bedrag
minstens € 1.500 dient te bedragen. Met de grens van € 1.500 is aansluiting gezocht bij
de tot 2017 geldende grens om in aanmerking te komen voor een persoonlijke
betalingsregeling voor toeslagschulden. Het door het kinderopvanginstelling
achtergehouden bedrag dient dan ook minstens € 1.500 te bedragen. Dat is hier niet het
geval. Nu niet wordt voldoen aan de voorwaarde dat de terugvordering meer moet
bedragen dan € 1.500 komt de Commissie niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van
het beroep op de hardheidsregeling. De Commissie begrijpt dat de gang van zaken
vragen oproept en aan de zijde van de kinderopvanginstelling twijfelachtig te noemen is
maar UHT heeft zich op het standpunt mogen stellen dat belanghebbende niet in
aanmerking komt voor de toepassing van de hardheidsregeling, zoals bedoeld in artikel
2.1
onder b, van de Wht.
Hardheidsclausule als bedoeld in 9.1, eerste lid, van de Wht
De hardheidsclausule is bedoeld voor bijzondere situaties die niet zijn voorzien en waarin
toepassing van de wettelijke bepaling zou leiden tot een zeer onbillijke uitkomst en
schrijnende gevallen. Helaas ziet de commissie geen mogelijkheid voor toepassing van de
hardheidsclausule zoals bedoeld in 9.1, eerste lid van de Wht, omdat de commissie niet
heeft kunnen vaststellen dat er sprake was van een ernstige financiële noodsituatie.
Overweging ten overvloede
Los van hetgeen de Commissie hierboven heeft overwogen, blijft onverminderd staan dat
de KOT op initiatief van de kinderopvanginstelling is uitgekeerd per 12 oktober 2005 voor
de rest van het jaar, terwijl de kinderopvanginstelling wist (of had moeten weten) dat het
kind van belanghebbende begin oktober 2005 geen gebruik meer maakte van de opvang.
Vervolgens is de KOT bij belanghebbende teruggevorderd. Duidelijk is dat belanghebbende niet betrokken is geweest bij het verzoek van de kinderopvanginstelling om de KOT voor de rest van het jaar over te maken (gelet op de stelling van belanghebbende en erkenning terzake in de aanvullende schriftelijke beschouwing). Door de handelwijze van de kinderopvanginstelling is er nadeel ontstaan bij belanghebbende.
Ook het handelen van de Belastingdienst/Toeslagen heeft hieraan bijgedragen door het
(opvallende) verzoek van de kinderopvanginstelling te honoreren en niet te verifiëren bij
belanghebbende of dit verzoek juist was. Immers, in beginsel wordt de KOT maandelijks
uitbetaald. Het opvallende verzoek van de kinderopvanginstelling om de resterende KOT
in één keer uit te betalen, had vragen moeten oproepen. Hoewel de Commissie van
oordeel is dat het handelen van B/T en de kinderopvanginstelling als laakbaar moet
worden aangemerkt, ziet zij binnen de kaders van de Wht geen ruimte om tot toekenning
van compensatie over te gaan.”
Geschil
19. In geschil is of eiseres voor het jaar 2005 in aanmerking komt voor compensatie op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht wegens institutionele vooringenomenheid dan wel op grond van de hardheidsregeling. Daarbij is in geschil of het drempelbedrag van € 1.500, genoemd in artikel 2.1, vierde lid, van de Wht voor de toepassing van de hardheidsregeling buiten beschouwing moet blijven op grond van de hardheidsclausule van artikel 9.1, eerste lid, van de Wht. Voorts is in geschil of het evenredigheidsbeginsel is geschonden.
Beoordeling van het geschil
Juridisch kader
20. Voor de beantwoording van de vraag of eiseres in aanmerking komt voor compensatie moet de rechtbank de omstandigheden toetsen aan de Wht. Dat doet de rechtbank aan de hand van het volgende juridische kader.
21. Uit artikel 2.1, eerste lid, van de Wht, volgt dat verweerder compensatie toekent aan een aanvrager die schade heeft geleden doordat ten aanzien van hem of haar in de periode vóór 23 oktober 2019 bij de beoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid (artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a van de Wht) of doordat ten aanzien van hem of haar de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die vóór 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem (artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b van de Wht).
22. In artikel 2.1, vierde lid, van de Wht, is bepaald dat een aanvraag van een kinderopvangtoeslag als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b (hierna: de hardheidsregeling), niet in aanmerking komt voor compensatie van schade met betrekking tot een berekeningsjaar waarover minder dan € 1.500 aan kinderopvangtoeslag is teruggevorderd of het recht op kinderopvangtoeslag met minder dan € 1.500 is verlaagd.
23. De in artikel 9.1, eerste lid, van de Wht opgenomen hardheidsclausule (niet te verwarren met de hardheidsregeling) maakt het mogelijk om van het bepaalde in artikel 2.1 van de Wht af te wijken, voor zover toepassing van het desbetreffende artikel gelet op doel of strekking ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor degene die aanspraak wil maken op de toekenning.
24. In de memorie van toelichting bij artikel 2.1 van de Wht (Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, p. 70-71), worden vijf elementen van institutionele vooringenomenheid benoemd, te weten: (1) collectieve stopzetting zonder een voorafgaande individuele beoordeling die dit rechtvaardigde; (2) het breed uitvragen van bewijsstukken over een of meerdere jaren; (3) zero tolerance-onderzoek naar fouten, tekortkomingen en ontbreken bewijsstukken, al dan niet met een tweede check wanneer bij eerste lezing geen grond voor afwijzing was gevonden; (4) het niet nader uitvragen van informatie bij gebleken tekortkomingen in de door de ouder verstrekte bewijsstukken; (5) het afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in de door de ouder verstrekte bewijsstukken. Ieder element afzonderlijk hoeft niet noodzakelijkerwijs te duiden op institutionele vooringenomenheid, net zomin als het ontbreken van een van deze elementen wijst op de afwezigheid daarvan. Juist de samenhang vormt een aanwijzing dat belanghebbenden mogelijk op voorhand reeds werden verdacht van misbruik, zonder dat zij een reële mogelijkheid kregen om zich daartegen te verweren, tot het tegendeel bleek uit het feit dat niets kon worden gevonden. Er kunnen ook nog aanvullende aanwijzingen zijn van institutionele vooringenomenheid, zo blijkt uit de memorie van toelichting op de Fiscale verzamelwet 2021 (Kamerstukken II 2019/20, 35 437, nr. 3, p. 30–31). Een aanvullende aanwijzing van institutionele vooringenomenheid, naast de hiervoor genoemde elementen, valt soms te ontlenen aan het opdrachtformulier in het onderzoek van het CAF (Combiteam Aanpak Facilitators). Het opdrachtformulier vormt vaak de start van het onderzoek naar de aanspraak op kinderopvangtoeslag van individuele belanghebbenden die in het zicht zijn gekomen door een CAF-onderzoek naar een facilitator (kinderopvang instelling), aldus genoemde memorie van toelichting op de Fiscale verzamelwet 2021.
25. Uit de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, p. 71-72) komt verder naar voren wanneer sprake is van hardheid van het stelsel als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b, van de Wht:
“Van hardheid van het stelsel als bedoeld in onderdeel b, is sprake als de kinderopvangtoeslag op nihil is vastgesteld in plaats van naar rato van het bedrag van de kosten waarvan de aanvrager van een kinderopvang toeslag heeft aangetoond dat deze tijdig zijn betaald aan de kinderopvang organisatie. Ook is er sprake van hardheid van het stelsel bij de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden waarbij de kinderopvangtoeslag in zijn geheel is teruggevorderd en deze terugvordering onevenredig was in verhouding tot de met die terugvordering te dienen doelen. Van bijzondere omstandigheden is bijvoorbeeld sprake als:
– een derde identiteitsfraude pleegt en op naam en buiten medeweten van de belanghebbende de toeslag aanvraagt en de toeslag aantoon baar – geheel of gedeeltelijk – niet ten goede komt aan de belanghebbende;
– een derde, bijvoorbeeld een kinderopvangorganisatie, op een andere wijze fraudeert zonder medeweten en (directe) betrokkenheid van de belanghebbende; of
– een door belanghebbende redelijkerwijze niet (meer) te herstellen geringe formele tekortkoming, zoals het ontbreken van een handtekening in een contract, heeft geleid tot aanzienlijke negatieve gevolgen voor het recht op kinderopvangtoeslag, terwijl aan alle materiële eisen voor de kinderopvangtoeslag is voldaan – tenzij de belanghebbende na herhaalde verzoeken van de Belastingdienst/Toeslagen de geringe formele tekortkoming niet heeft hersteld, terwijl hij daartoe wel in de gelegenheid was.
Er is op zichzelf geen sprake van een bijzondere omstandigheid als:
– de belanghebbende te kwader trouw is;
– de terugvordering het gevolg is van een afwijking tussen het daadwerkelijk afgenomen aantal uren kinderopvang en het aantal uren kinderopvang op basis waarvan het voorschot kinderopvangtoeslag is berekend in dat berekeningsjaar;
– de terugvordering het gevolg is van een afwijking tussen het daadwerkelijke over het berekeningsjaar vastgestelde toetsingsinkomen voor de toeslagen en het geschatte inkomen op basis waarvan het voorschot is berekend.
Bovenstaande opsommingen van bijzondere omstandigheden en van gevallen waarin op zichzelf geen sprake is van bijzondere omstandig heden, zijn niet limitatief. Op basis van ervaringen uit de praktijk kunnen de voorbeelden in beleidsregels nader worden in- en aangevuld.
De financiële situatie of financiële problemen van een belanghebbende, die terugbetaling van toeslagen verhinderden, zullen in het algemeen niet leiden tot de conclusie dat diegene gedupeerd is door hardheid van het stelsel. Voor deze situatie bestaat de mogelijkheid van een (persoonlijke) betalingsregeling.”
26. Bij de invoering van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b van de Wht (de hardheidsregeling) is in de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, p. 16-20) het volgende overwogen:
“Met dit wetsvoorstel wordt voorgesteld de wettelijke hardheidsregeling te laten vervallen en wordt de compensatieregeling uitgebreid naar situaties waarin het stelsel van de kinderopvangtoeslag te hard uitpakte. De verbreding van de compensatieregeling betekent dat aan een grotere groep gedupeerde ouders de meest ruimhartige vorm van compensatie wordt geboden.
(…)
De criteria om in aanmerking te komen voor herstel in verband met hardheid blijven gelijk. Daardoor komen, net zoals onder de hardheidsregeling, alleen door hardheid gedupeerde ouders voor compensatie in aanmerking die in enig jaar ten minste € 1.500 aan kinderopvangtoeslag moesten terugbetalen of bij wie de aanspraak op kinderopvangtoeslag in enig jaar met ten minste € 1.500 is verlaagd. De AUT adviseerde een grens van € 10.000 te hanteren. Die vond het kabinet te hoog. Met de grens van € 1.500 zocht het kabinet aansluiting bij een tot 2017 geldende grens om in aanmerking te komen voor een persoonlijke betalingsregeling voor toeslagschulden. [
voetnoot:Zie voor een nadere toelichting op de keuze voor de grens van € 1.500 de memorie van toelichting op de Wet hardheidsaanpassing Awir, Kamerstukken II 2019/20, 35 468, nr. 3, p. 7-8.]
(…)
Zoals hiervoor toegelicht, wordt het forfaitaire bedrag niet toegekend aan ouders die door hardheid of door een onterechte O/GS-kwalificatie zijn gedupeerd indien zij niet in enig jaar ten minste € 1.500 aan kinderopvangtoeslag moesten terugbetalen of indien de aanspraak op kinderopvangtoeslag niet in enig jaar met ten minste € 1.500 is verlaagd. Deze grens van € 1.500 is gelijk aan de grens die gold om in aanmerking te komen voor de hardheidstegemoetkoming en die geldt voor de verbrede compensatieregeling voor hardheid. Het toenmalige kabinet heeft bij de invoering van het forfaitaire bedrag overwogen dat het ook wenselijk is om een grens te laten gelden voor ouders die door een onterechte O/GS-kwalificatie gedupeerd zijn. Door een grens wordt voorkomen dat een lage terechte terugvordering kan leiden tot een hoog forfaitair bedrag. Voor de hoogte van die grens, die per definitie arbitrair is, is aangesloten bij de bestaande grens van € 1.500 voor hardheid. Ouders die een lagere terugvordering hebben gehad, maar toch relatief veel schade hebben geleden door de onterechte O/GS-kwalificatie, komen wel in aanmerking voor de aanvullende O/GS-tegemoetkoming voor de werkelijke schade. Zij worden dus niet ondergecompenseerd.”
27. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2019/20, 35 468, nr. 3, p. 7-8) waarnaar in bovenstaande memorie van toelichting is verwezen, is ten aanzien van de keuze voor de grens van € 1.500, toen nog vastgelegd in artikel 49, vijfde lid van de Awir, voorts het volgende opgemerkt:
“De voorgestelde hardheidsregeling betreft een regeling die materieel ziet op onherroepelijk vaststaande beschikkingen. Vanwege de beginselen van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid wordt aan dergelijke onherroepelijk vaststaande beschikkingen niet getornd.(…) Het past niet om de zaken waarin de beschikking onherroepelijk vaststaat te heropenen en daarover naar huidig inzicht opnieuw te beslissen. Dat geldt des te meer ingeval de eerdergenoemde vijfjaarstermijn is verstreken. Echter, gezien de grote aantallen huishoudens die in ernstige en soms blijvende financiële problemen zijn gebracht door de werking van de regelgeving rondom de kinderopvangtoeslag, de wijze waarop deze gehandhaafd werd, en de uitleg die in uitvoering en rechtspraak (van vóór 23 oktober 2019) aan die regelgeving is gegeven, in combinatie met het als gevolg hiervan ernstig verstoorde vertrouwen in de overheid op dit onderwerp/dossier, meent het kabinet in deze zeer uitzonderlijke situatie iets te willen doen voor de ouders. Het achterwege laten van nadere actie zou bovenmatig hard uitpakken. Het kabinet wenst geen onderscheid te maken tussen ouders met beschikkingen tot vijf jaar geleden en ouders met beschikkingen ouder dan vijf jaar. Het kabinet heeft daartoe de in het wetsvoorstel opgenomen hardheidsregeling op advies van de Adviescommissie ontworpen. Dit gelet op het feit dat sprake is van een uitzonderlijke combinatie van factoren met zodanige gevolgen van disproportionele
beslissingen, dat deze gevolgen in redelijkheid niet voor rekening van de betrokken ouders kunnen blijven. In dat kader adviseerde de Adviescommissie om alleen besluiten te herzien waarmee € 10.000 of meer per berekeningsjaar is gemoeid. Hierbij zou wel een hardheidsclausule voor schrijnende gevallen moeten gelden. De Adviescommissie sluit met de drempel van € 10.000 per berekeningsjaar aan bij de grens die sinds 2017 wordt gehanteerd voor de persoonlijke betalingsregeling voor toeslagschulden. Tot 2017 was die grens echter € 1.500 per berekeningsjaar. Het kabinet vindt gezien voornoemde uitzonderlijke omstandigheden in dit geval de grens van € 10.000 te hoog, vooral voor ouders met een beperkte financiële armslag. Het kabinet kiest daarom voor een bedrag van € 1.500. Op deze manier waarborgt het kabinet ook dat gedupeerde ouders in kwetsbare groepen voor wie een lager bedrag even hard aankomt in aanmerking kunnen komen voor deze regeling.”
28. Daarnaast is in de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, p. 86) het volgende overwogen ten aanzien van artikel 2.7, vijfde lid, onderdeel a van de Wht, waarin een vergelijkbare drempel van € 1.500 is opgenomen:
“Door onderhavig onderdeel a komt een door hardheid gedupeerde aanvrager alleen in aanmerking voor het forfaitaire bedrag als die hardheid betrekking heeft op ten minste één berekeningsjaar waarover minimaal € 1.500 aan kinderopvangtoeslag is teruggevorderd of het recht op kinderopvangtoeslag met minimaal € 1.500 is verlaagd. Voor gedupeerden door een onterechte kwalificatie opzet of grove schuld, legt onderhavig onderdeel a eenzelfde beperking op. Deze drempel voorkomt een te grote disbalans tussen enerzijds de mate waarin een aanvrager in het algemeen gedupeerd zal zijn en anderzijds het relatief hoge forfaitaire bedrag.”
De (hoogte van de) terugvordering
29. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting leidt de rechtbank af dat tussen partijen niet in geschil is dat de KOT tot het juiste bedrag is teruggevorderd. In de stukken wordt wisselend gesproken van een teruggevorderd bedrag van € 383 dan wel € 393. Ter zitting heeft eiseres desgevraagd aangegeven dat het teruggevorderde bedrag € 383 moet hebben bedragen. De rechtbank gaat hier dan ook vanuit in het vervolg.
30. De rechtbank stelt vast dat er derhalve geen sprake is van een onterechte neerwaartse correctie. Aan eiseres is de KOT toegekend waar zij volgens de Wet kinderopvang recht op had. Alleen het meerdere is teruggevorderd. Het probleem zit hem in het feit dat de voorschotten aan de KOI zijn uitbetaald en dat het teveel uitbetaalde bij eiseres is teruggevorderd.
Institutionele vooringenomenheid
31. Eiseres heeft zich eerst ter zitting op het standpunt gesteld dat er in haar situatie sprake was van institutionele vooringenomenheid. Desgevraagd heeft eiseres in dit verband verklaard ook hierover een beslissing van de rechtbank te verwachten. Verweerder heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat het door eiseres ingenomen standpunt tardief is. Voor het geval de rechtbank die mening niet zou delen, heeft verweerder de rechtbank verzocht alsnog in de gelegenheid te worden gesteld schriftelijk te reageren.
32. Naar het oordeel van de rechtbank had eiseres in een veel eerder stadium de institutionele vooringenomenheid ter discussie kunnen stellen. Om redenen van proceseconomie zal de rechtbank daarover toch haar oordeel geven. De rechtbank zal het verzoek van verweerder om een nadere reactiemogelijkheid niet honoreren, omdat eiseres gelet op het navolgende op dit punt in het ongelijk dient te worden gesteld.
33. Voor de stelling van eiseres dat de stopzetting van de KOT mogelijk samenhing met de vragen van verweerder over de verblijfsstatus van eiseres en haar kind, ziet de rechtbank geen aanwijzingen in het dossier. De rechtbank acht aannemelijk geworden dat verweerder de KOT heeft stopgezet, omdat uit de hem ter beschikking staande gegevens volgde dat het kind van eiseres op 24 september 2005 vier jaar oud werd en per oktober 2005 naar de basisschool ging.
34. Eiseres heeft voorts betoogd dat de terugvordering voorkomen had kunnen worden en dat de handelswijze van verweerder heeft bijgedragen aan het nadeel dat eiseres heeft geleden. Volgens eiseres wist verweerder dat er sprake was van een heel ongebruikelijke situatie. Eiseres leidt dat af uit de telefoonnotitie van verweerder (hierboven opgenomen onder 4) waarin staat dat het verzoek om uitbetaling ineens vrijwel zeker niet wordt gehonoreerd. De institutionele vooringenomenheid is er volgens eiseres in gelegen dat, ondanks aanwijzingen dat de situatie niet pluis was, er geen navraag is gedaan bij eiseres, en het bedrag van € 1.281 aan de KOI is uitbetaald. Eiseres verwijst in haar betoog ook naar hetgeen de Bezwaarschriftenadviescommissie in haar advies van 8 juni 2023 heeft overwogen, namelijk (zie onder 18): “dat de KOT op initiatief van de kinderopvanginstelling is uitgekeerd per 12 oktober 2005 voor de rest van het jaar, terwijl de kinderopvanginstelling wist (of had moeten weten) dat het kind van belanghebbende begin oktober 2005 geen gebruik meer maakte van de opvang. (…) Het opvallende verzoek van de kinderopvanginstelling om de resterende KOT in één keer uit te betalen, had vragen moeten oproepen. Hoewel de Commissie van oordeel is dat het handelen van B/T en de kinderopvanginstelling als laakbaar moet worden aangemerkt, ziet zij binnen de kaders van de Wht geen ruimte om tot toekenning van compensatie over te gaan.”. Dat eiseres (en niet de KOI) vervolgens door verweerder is aangesproken om het uitbetaalde bedrag terug te betalen, is volgens eiseres uiterst onredelijk.
35. De rechtbank kan die conclusie van eiseres niet volgen, gelet op de inhoud van het dossier en de ter zitting gegeven verklaringen over de grond voor terugvordering. Verweerder heeft ter zitting uiteengezet dat het een (onjuiste) aanname is van de BAC dat de uitbetaling van het bedrag van € 1.281 ineens betrekking moet hebben gehad op de maanden oktober, november en december 2005. Dit bedrag is ook niet teruggevorderd. Er is immers een bedrag van € 383 teruggevorderd door verweerder. De terugvordering hangt volgens verweerder samen met het toetsingsinkomen van eiseres en de bijdrage die de gemeente heeft geleverd aan de KOI, die pas bij de definitieve vaststelling bekend waren bij verweerder. Bij het toekennen van het voorschotbedrag op 2 augustus 2005 was het verweerder reeds bekend dat het kind van eiseres vier jaar oud zou worden op 24 september 2005 en dit is meegenomen bij de berekening van de voorschotbedragen, aldus verweerder. Uit de tweede telefoonnotitie van verweerder (hierboven opgenomen onder 5) leidt de rechtbank af dat er een controle heeft plaatsgevonden op de juistheid van de gegevens over het aantal afgenomen opvanguren, voordat de uitbetaling van het bedrag van € 1.281 heeft plaatsgevonden. De rechtbank volgt verweerder hierin, zodat het beroep in zoverre niet kan slagen.
36. Ook als de rechtbank ervan uit zou gaan dat verweerder laakbaar heeft gehandeld, door op verzoek van de KOI het gehele bedrag aan KOT aan de KOI uit te betalen, zonder daarbij navraag te doen bij eiseres, terwijl de KOT doorgaans maandelijks wordt uitbetaald, is dit geen bijzondere omstandigheid die kan leiden tot het oordeel dat de KOT is teruggevorderd wegens institutionele vooringenomenheid. Zoals eerder overwogen staat vast dat er geen sprake is van een onterechte neerwaartse correctie van de KOT. Ook doen de in de memorie van toelichting genoemde elementen van institutionele vooringenomenheid (zie onder 24) zich in de situatie van eiseres niet voor. De rechtbank acht niet aannemelijk dat er in het geval van eiseres inzake de terugvordering KOT 2005 sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid.
Hardheidsregeling en de hardheidsclausule
37. Tussen partijen is niet in geschil dat over het jaar 2005 door verweerder minder dan de in artikel 2.1, vierde lid, van de Wht genoemde drempel van € 1.500 euro is teruggevorderd van eiseres. De rechtbank stelt voorop dat het bepaalde in artikel 2.1, vierde lid, van de Wht, door de wetgever dwingend is geformuleerd. Dat betekent dat de rechtbank in beginsel niet toekomt aan de beoordeling van de vraag of er in het geval van eiseres sprake is van onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid die aan de toepassing van het wettelijke systeem werd gegeven.
38. De vraag die partijen verdeeld houdt is of de genoemde drempel op grond van de hardheidsclausule van artikel 9.1, eerste lid, van de Wht, buiten toepassing moet blijven. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS) kan de hardheidsclausule van artikel 9.1, eerste lid, van de Wht, alleen worden toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de bepaling gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van actuele en schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven (zie o.m. ABRvS 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456). Degene die daar een beroep op doet, moet inzichtelijk maken waar de bijzonderheid of schrijnendheid in zijn of haar situatie uit bestaat en moet dit zo concreet mogelijk onderbouwen.
39. Eiseres heeft het standpunt ingenomen dat er in haar geval sprake is van een uitzonderlijke situatie. Volgens eiseres is er in haar geval sprake van een onbillijkheid van overwegende aard die voortkomt uit de hardheid van de toepassing die werd gegeven aan het wettelijke systeem, echter voorkomt de toepassing van het drempelbedrag van € 1.500, dat zij in aanmerking komt voor compensatie. Volgens eiseres is de hardheidsclausule van artikel 9.1, eerste lid, van de Wht, bij uitstek van toepassing in haar geval, omdat toepassing van artikel 2.1, vierde lid, van de Wht, gelet op doel of strekking van dat artikel, leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard voor eiseres.
40. Zoals verweerder terecht heeft opgemerkt, maakt het feit dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden om voor de hardheidsregeling in aanmerking te komen, op zichzelf niet dat sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard. De rechtbank overweegt dat dit slechts het geval is wanneer de toepassing van de drempel van artikel 2.1, vierde lid, van de Wht, gelet op doel of strekking ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor eiseres.
41. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 2.1, vierde lid, van de Wht (hierboven opgenomen onder 25-28), leidt de rechtbank af dat de wetgever een drempelbedrag in de wet heeft opgenoemde vanwege de hoogte van het in het kader van de Catshuisregeling toe te kennen bedragen. De wetgever heeft te kennen gegeven dat door het stellen van een grens wordt voorkomen dat een lage terechte terugvordering kan leiden tot een hoog forfaitair bedrag. Deze bedoeling komt ook tot uitdrukking in de parlementaire geschiedenis (hierboven opgenomen onder 28) ten aanzien van de grens van € 1.500 van artikel 2.7, vijfde lid, onderdeel a van de Wht, waarin staat dat de drempel een te grote disbalans voorkomt tussen enerzijds de mate waarin een aanvrager in het algemeen gedupeerd zal zijn en anderzijds het relatief hoge forfaitaire bedrag. De wetgever heeft bewust gekozen voor een drempelbedrag van € 1.500 en heeft hiermee aansluiting gezocht bij een tot 2017 geldende grens om in aanmerking te komen voor een persoonlijke betalingsregeling voor toeslagschulden.
42. Gelet op doel en strekking van de regeling van artikel 2.1, vierde lid, van de Wht, ziet de rechtbank niet in waarom er voor eiseres een uitzondering zou moeten worden gemaakt op basis van de hardheidsclausule. Compensatie op basis van de Catshuisregeling zou in disbalans zijn met het bedrag van de terechte terugvordering. Toepassing van de drempel ten aanzien van eiseres kan niet als onbillijk worden aangemerkt in het licht van doel en strekking hiervan.
43. Eiseres heeft voorts aangevoerd dat de terugvordering voor haar tot een schrijnende situatie heeft geleid. Eiseres heeft deze schrijnende situatie tijdens de hoorzitting in de bezwaarfase, in het beroepschrift en tijdens de zitting bij de rechtbank mondeling toegelicht.
Eiseres was in 2005 net in Nederland en was een tienermoeder. Zij sprak de Nederlandse taal niet en was de dupe van de handelingen van de KOI, die aan verweerder had verzocht om het gehele jaarbedrag in één keer uit te betalen terwijl geen gebruik meer werd gemaakt van kinderopvang. Een bedrag van een paar honderd euro was destijds zeer veel geld voor eiseres, omdat zij een minimum inkomen had. Eiseres hield door de terugvordering te weinig geld over voor de betaling van haar vaste lasten, waardoor er betalingsachterstanden ontstonden die extra kosten met zich meebrachten (zoals wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten). Uiteindelijk liepen de kosten hierdoor tot duizenden euro's op. De gehele situatie heeft volgens eiseres tot veel stress en depressieve klachten geleid, wat ook verstrekkende gevolgen heeft gehad voor haar inburgering en cursussen. Eiseres spreekt de Nederlandse taal nog steeds niet goed. Zij is vanaf 2005/2006 blijven hangen in een situatie waar zij tot op de dag van vandaag nog steeds niet is uitgekomen. Het leven van eiseres staat al jarenlang stil, aldus eiseres.
44. De rechtbank overweegt dat er sprake is van schrijnende omstandigheden in het geval van serieuze en structurele financiële nood, een ernstige medische omstandigheid of andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Eiseres heeft toegelicht wat voor een impact de terugvordering destijds (20 jaar geleden) op haar heeft gehad. Eiseres heeft echter geen actuele omstandigheden aangevoerd die samenhangen met (de gevolgen van) de afwijzing van haar verzoek tot compensatie. Zij heeft in dat kader alleen gesteld dat zij, doordat zij niet wordt aangemerkt als gedupeerde ook niet in aanmerking komt voor de regelingen voor overname van haar schulden. Hoewel eiseres dit als oneerlijk ervaart, is hiermee niet aannemelijk geworden dat door de weigering van compensatie door verweerder sprake is van een zodanige schrijnende (financiële) situatie bij eiseres dat de toepassing van de wet daardoor (op grond van de hardheidsclausule) achterwege moet blijven.
45. Gelet op het bovenstaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank het beroep van eiseres op de hardheidsclausule dan ook terecht afgewezen.
Evenredigheidsbeginsel
46. Dat in het onderhavige geval geheel geen compensatie voor toeslagjaar 2005 plaatsvindt, is volgens eiseres in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Eiseres voert daartoe aan dat in het in het advies en de overwegingen van de BAC wordt erkend dat sprake is van een onredelijke situatie en zelfs van laakbaar handelen door verweerder. Dat verweerder het bezwaar vervolgens geheel ongegrond verklaart en geen enkele compensatie aanbiedt, is zeer onredelijk. Met name omdat artikel 9.1 eerste lid, van de Wht, volgens eiseres wel mogelijkheden biedt om na te gaan of er gecompenseerd kan worden. Eiseres wijst erop dat er maatwerk kan worden geboden, bijvoorbeeld door af te wijken van de standaard compensatie van € 30.000 en een lager compensatiebedrag toe te kennen. Verweerder stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat hij geen maatwerk kan bieden.
47. Het beroep van eiseres op het evenredigheidsbeginsel (artikel 3:4, tweede lid, van de Awb) slaagt niet. De rechtbank overweegt dat geen ruimte bestaat voor een belangenafweging door verweerder.
48. Voor zover eiseres met haar betoog (mede) een beroep heeft willen doen op het evenredigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijke wetgeving, overweegt de rechtbank als volgt.
49. In het Harmonisatiewetarrest (HR 14 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD5725), heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het in artikel 120 van Pro de Grondwet neergelegde toetsingsverbod met zich brengt dat de rechter wetten in formele zin niet mag toetsen aan het Statuut en ook niet aan algemene rechtsbeginselen. Hetzelfde geldt voor toetsing aan ander ongeschreven recht. Wel is de rechter bevoegd een bepaling in een wet in formele zin buiten toepassing te laten indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, en de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd komt met algemene rechtsbeginselen of ander ongeschreven recht, dat die toepassing achterwege moet blijven (HR 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:815, rechtsoverweging 3.3.4 en ABRVS 15 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2024:2045, r.o. 13).
50. Naar het oordeel van de rechtbank doen zich in het geval van eiseres geen bijzondere omstandigheden voor die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 2.1 van de Wht (hierboven opgenomen onder 25-28) volgt dat de wetgever de gevolgen van het bepalen van een drempelbedrag van € 1.500 onder ogen heeft gezien en dat in zijn afwegingen heeft meegenomen. De rechtbank verwijst hierbij voorts naar wat zij hiervoor onder 41 heeft overwogen. Er bestaat evenmin grond om artikel 2.1, vierde lid, van de Wht, wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel buiten toepassing te laten.
Motivering beslissing op bezwaar
51. De opvatting van eiseres dat de beslissing op bezwaar niet deugdelijk is gemotiveerd volgt de rechtbank niet. De rechtbank is van oordeel dat het besluit berust op een deugdelijke motivering, zoals de wet vereist. Uit de uitspraak op bezwaar wordt voldoende duidelijk op welke grond het bezwaar van eiseres is afgewezen. Dat eiseres het met die afwijzingsgrond niet eens is, maakt niet dat er geen sprake is van een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12 van Pro de Awb. De motivering was naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op de ter zitting door verweerder gegeven toelichting op de zaak, wel overtuigender geweest als specifieker was ingegaan op basis van welke specifieke gegevens in zijn systeem verweerder de KOT van eiseres destijds heeft aangepast, maar uit de beslissing op bezwaar is duidelijk op te maken wat het besluit is en op welke gronden het berust. De motivering draagt dus het besluit en het besluit is niet onvoldoende gemotiveerd.
Conclusie
52. Gelet op het bovenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
53. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Fase, rechter, in aanwezigheid van
mr. I. Kroesemeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is per post verzonden op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.