Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:4788

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
HAA 24/5385
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.6 WooArt. 5.3 WooWet open overheidWet normalisering rechtspositie ambtenarenVerdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond op buiten behandeling stellen Woo-verzoek wegens misbruik van recht

Eiser heeft op grond van de Wet open overheid (Woo) een verzoek ingediend om openbaarmaking van documenten, dat het college van burgemeester en wethouders van Haarlem buiten behandeling heeft gesteld op grond van artikel 4.6 van de Woo, de antimisbruikbepaling. Eiser is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld.

De rechtbank overweegt dat eiser sinds 2021 een groot aantal Woo-verzoeken en bezwaarschriften heeft ingediend, die grotendeels voortkomen uit een arbeidsconflict en ontslagprocedure. Het college heeft terecht geoordeeld dat eiser de Woo-verzoeken gebruikt met een ander doel dan het verkrijgen van publieke informatie, namelijk om zijn ontslagprocedure te beïnvloeden en de gemeente te belasten.

De rechtbank acht het besluit zorgvuldig genomen en volgt het college in de toepassing van artikel 4.6 Woo. Het beroep wordt ongegrond verklaard, het verzoek blijft buiten behandeling en eiser krijgt het griffierecht niet terug. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het Woo-verzoek blijft buiten behandeling wegens misbruik van recht.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/5385

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit Haarlem, eiser

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, het college
(gemachtigde: mr. L.M. Burger).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het buiten behandeling laten van eisers verzoek om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet open overheid (Woo). Eiser is het hiermee oneens. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college eisers verzoek om openbaarmaking buiten behandeling heeft mogen stellen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.
2.1.
Eiser heeft op 23 oktober 2023 op grond van de Woo een verzoek ingediend om openbaarmaking van documenten.
2.2.
Het college heeft dit verzoek met het besluit van 6 november 2023 op grond van artikel 4.6 van de Woo (de zogenoemde antimisbruikbepaling) buiten behandeling gelaten.
2.3.
Met het bestreden besluit van 2 juli 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij dit besluit gebleven.
2.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.5.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.6.
Op 29 september 2025 en 30 september 2025 hebben respectievelijk eiser en het college aanvullende stukken ingediend.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 13 oktober 2025, gelijktijdig met de zaak met zaaknummer HAA 24/3955, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, [naam 1] en [naam 2] , namens het college en de gemachtigde van het college.
2.8.
Eiser heeft, na sluiting van het onderzoek ter zitting, op 9 april 2026 een aanvullend stuk overgelegd zijnde een stuk betreffende de aanstelling van een nieuwe gemeentesecretaris bij de gemeente Amsterdam.
2.9.
De rechtbank heeft hierin geen aanleiding gezien het onderzoek in de zaak te heropenen en de uitspraakdatum bepaald op heden.

Totstandkoming van het bestreden besluit

Voorgeschiedenis
3.1.
Op [datum 1] is eiser bij de gemeente Haarlem in dienst gekomen. Op 18 mei 2022 heeft de kantonrechter van deze rechtbank de arbeidsovereenkomst tussen eiser en de gemeente Haarlem per [datum 2] ontbonden wegens een verstoorde arbeidsrelatie. [1] Het gerechtshof Amsterdam heeft het vonnis op 18 juli 2023 bekrachtigd. [2]
3.2.
Eiser heeft vanaf de start van de procedure tot ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst meerdere verzoeken op grond van de Woo ingediend en is meerdere (bezwaar)procedures gestart, waaronder onderhavige. In de periode van 18 juni 2021 tot en met 10 november 2023 betreffen dit, volgens opgave van het college, 61 verzoeken en 31 daarop betrekking hebbende bezwaarschriften.
Onderhavig verzoek
Op 23 oktober 2023 heeft eiser het college op grond van de Woo om het volgende verzocht:
“Graag ontvang ik van u alle stukken/documenten, e-mailberichten en facturen die betrekking hebben op de kwestie van de heer [naam 3] versus de gemeente Haarlem, waarbij de 3 opeenvolgende uitspraken van de hoogste bestuursrechter – de Raad van State – om meer openheid van zaken te geven in zijn wob-verzoek over het rapport inzake de integriteit van gemeenteambtenaren bij de aankoop van ICT-apparatuur (rond 2015) centraal staan bij mijn verzoek. Zo ontvang ik dus ook graag het destijds geheim verklaarde rapport en alle andere stukken die hiertoe geheim verklaard zijn”Eiser heeft een artikel over deze kwestie van [naam 4] in het Haarlems Dagblad van
10 september 2021 bij zijn verzoek gevoegd.
Primaire besluit
5. Het college heeft eisers verzoek bij besluit van 6 november 2023 op grond van artikel 4.6 van de Woo buiten behandeling gelaten. Het college overweegt daartoe
– samengevat – dat eiser kennelijk een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie, of dat zijn verzoek evident geen bestuurlijke aangelegenheid betreft. Dit blijkt uit de wijze waarop hij zijn verzoek indient en het onderwerp. Het verzoek is volgens het college niet gericht op het verkrijgen van informatie voor eenieder, maar te relateren aan zijn ontslag dan wel de rancune die hij ervaart. Zijn verzoek wordt volgens het college dan ook gedaan met een evident ander doel. Hierbij weegt het college eisers (proces)gedrag en handelen richting de gemeente mee.
Bezwaar
1. In bezwaar voert eiser – samengevat – aan dat het college zich ten onrechte beroept op artikel 4.6 van de Woo. Zijn verzoek is ingediend voor het verkrijgen van publieke informatie. Hij wil het grote publiek inzage geven in de vele corrupte, frauduleuze, oplichtings- en sjoemelpraktijken die zich binnen de gemeente Haarlem de afgelopen vijftien jaar hebben afgespeeld. Eiser wil daarnaast met zijn verzoeken de onwenselijke gevolgen van de inwerkingtreding van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (WNRA) inzichtelijk maken voor een groter publiek. Het betreft een bestuurlijke aangelegenheid.
Eiser ziet niet in welk misbruik hij kan plegen met de opgevraagde informatie. Het argument van het college dat hij de informatie zou willen gebruiken voor zijn ontslagprocedure gaat niet (meer) op omdat de hoorzitting al heeft plaatsgevonden. Het college heeft de hoeveelheid noodzakelijke Woo-verzoeken verder zelf veroorzaakt. Het belang van openbaarmaking mag hem niet ontnomen worden omwille van lijfsbehoud van de (medewerkers van de) gemeente Haarlem. Het belang van de toepassing van artikel 5.5 van de Woo weegt zwaarder dan het belang van het college om artikel 4.6 van de Woo toe te passen.
Verweerschrift in bezwaar
7. Het college stelt – samengevat – dat een beroep op artikel 4.6 van de Woo gerechtvaardigd is. Uit het bezwaarschrift blijkt (wederom) dat het Woo-verzoek zijn basis vindt in de persoonlijke vete die eiser naar aanleiding van zijn ontslag heeft met de gemeente Haarlem, en enkele functionarissen van de gemeente in het bijzonder. Dat eiser onderzoek zou doen naar de gevolgen van de WNRA voor ambtenaren wordt volgens het college slechts aangedragen om enige rechtmatigheid aan de vele Woo-verzoeken te geven. Eiser kan de WNRA niet wijzigen of dit bij het college ter discussie stellen. De door eiser gestelde nadelige gevolgen van de invoering van de WNRA hebben ook overigens allemaal betrekking op zijn eigen ontslag(procedure).
Advies van de commissie belast met de behandeling van bezwaarschriften
8. De commissie adviseert het college om het primaire besluit in stand te laten. Van het ontnemen van een recht om Woo-verzoeken in te dienen is volgens de commissie geen sprake. Het is na ontvangst van een Woo-verzoek aan het bestuursorgaan om te besluiten hoe dit wordt afgehandeld. Daarbij heeft het college onder meer de mogelijkheid een verzoek buiten behandeling te stellen op grond van artikel 4.6 van de Woo.
Volgens de commissie is er voldoende grondslag voor toepassing van artikel 4.6 van de Woo. Eiser heeft kennelijk een ander doel dan het verkrijgen van publieke informatie. Daartoe overweegt de commissie dat het Woo-verzoek, voor zover de reden voor indiening, zoals eiser zelf aangeeft, is gelegen in de invoering van de WNRA en de daarmee – naar de mening van eiser – voor ambtenaren gepaard gaande versobering van het ambtenarenrecht, met een ander doel is ingediend dan het verkrijgen van publieke informatie. Namelijk om de WNRA aan te vechten omdat deze wet volgens eiser, hemzelf en anderen negatief raakt bij een ontslagprocedure. De commissie overweegt dat eiser dit doel met zijn Woo-verzoek niet kan bereiken.
Dat eiser met het verzoek een ander doel had dan het verkrijgen van publieke informatie volgt, aldus de commissie, daarnaast uit de hoeveelheid door eiser ingediende verzoeken en bezwaren, de aard en de omvang daarvan en zijn proceshouding en uitlatingen. De verzoeken vinden hun bron in het arbeidsconflict, waarbij eiser uit rancune en frustratie steeds weer nieuwe verzoeken indient. Zo is sprake van een continue stroom van zeer zware verwijten, ingediende klachten, ingezette tuchtprocedures en uitgebreide correspondentie na antwoorden aan eiser. Dit levert een extreme en onevenredige belasting op voor het bestuur en het ambtenarenapparaat. Eiser streeft volgens de commissie obsessief naar openbaarmaking, wat gelet op Kamerstukken als oneigenlijk verzoek wordt aangemerkt. [3]
Alles in beschouwing genomen is er voldoende grondslag voor buiten behandelingstelling van de aanvraag.
Bestreden besluit
9. Het college heeft vervolgens het bezwaar van eiser, onder verwijzing naar voornoemd advies, ongegrond verklaard.

Beroepschrift

10.
10.1.
Eiser stelt zich allereerst op het standpunt dat het bestreden besluit niet zorgvuldig tot stand is gekomen. Zijn verzoeken worden op vrijwel geheel identieke wijze buiten behandeling gesteld. Hij heeft het vermoeden dat zijn bezwaarschrift nooit daadwerkelijk inhoudelijk behandeld is door het college, maar alleen (met supervisie) vanuit de afdeling juridische zaken is afgedaan. De commissie neemt vervolgens een-op-een het advies van de afdeling juridische zaken over, wat vervolgens, zo stelt eiser, (slechts als formaliteit) overgenomen wordt door het college. De beslissing op bezwaar is bovendien ook niet ondertekend door de burgemeester of (een van de) wethouders.
10.2.
Eiser stelt zich verder op het standpunt dat de door hem gevraagde informatie ingevolge artikel 5.3 van de Woo openbaar gemaakt moet worden omdat deze ouder is dan vijf jaar.
10.3.
Eiser stelt dat hem ten onrechte en op oneigenlijke gronden artikel 4.6 van de Woo wordt tegengeworpen. Ondanks het uitgangspunt van de Woo, dat informatie openbaar gemaakt moet worden, doet het college er alles aan om niet open en transparant te zijn. Onderhavig verzoek op grond van de Woo staat volgens hem volledig los van zijn ontslagprocedure. Van zogenaamde rancune is geen sprake.
Het verkrijgen van publieke informatie is nu juist het hoofddoel van zijn verzoek geweest. Hij hoeft bovendien geen enkel belang te stellen bij het indienen van zijn Woo-verzoeken. Hij wil een bepaalde cultuur binnen de gemeente Haarlem inzichtelijk maken en daarvoor is diepgravend onderzoek nodig. Objectief onderzoek moet gewoon mogelijk zijn en mag niet gehinderd worden. De bevindingen van [naam 3] rechtvaardigen, volgens eiser, des te meer het (willen) verrichten van nader onderzoek. Dit rechtvaardigt ook het doen van meerdere Woo-verzoeken. Eiser verzoekt de rechtbank het bestreden besluit te vernietigen en een corrigerende uitspraak te doen over het misbruik van recht.
10.4.
Eiser verzoekt verder een corrigerende uitspraak te doen over het misbruik van macht dat het college maakt door eiser dwangsommen op te leggen wanneer het zich bedreigd voelt. Het college probeert eiser op alle mogelijke manieren de mond te snoeren. Hem wordt de toegang tot de rechter zeer ernstig belemmerd, zo niet onmogelijk gemaakt. Dat is in strijd met het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Eiser wijst in dat verband op het vonnis in kort geding van de rechtbank Noord Holland. [4] Zijn rechten zijn hiermee zodanig beknot dat het deze democratie onwaardig is. Hij overlegt een reactie met kritiek op het vonnis, informatie van het college ten aanzien van volgens het college verbeurde dwangsommen en stuiting van de verjaringstermijn, een conclusie van antwoord inzake de vermeende schendingen van het vonnis uit december 2023 en een vonnis van 16 april 2025 waarin een mondelinge behandeling is bevolen en partijen dienen te verschijnen.
Verweerschrift
11. Het college ziet geen aanleiding voor een ander standpunt. Gezien de aard en de omvang van de verzoeken, de proceshouding en de uitlatingen van eiser en het obsessief streven naar openbaarmaking is volgens het college op goede gronden besloten het bezwaar tegen de toepassing van artikel 4.6 van de Woo ongegrond te verklaren.
Toepassing van artikel 5.3 van de Woo is verder volgens het college niet aan de orde nu zijn verzoek buiten behandeling is gesteld.
De overige gronden/verzoeken van eiser vallen volgens het college buiten de omvang van het geding.

Beoordeling van de rechtbank

12. Naar het oordeel van de rechtbank kan het bestreden besluit stand houden. Daartoe wordt als volgt overwogen.
Zorgvuldigheid van het bestreden besluit
12. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet zorgvuldig tot stand is gekomen. Zoals ook door het college ter zitting is toegelicht is de gebruikelijke procesgang gevolgd. Na indiening van het bezwaarschrift is een verweerschrift vanuit de vakafdeling opgesteld. Eiser is in de gelegenheid gesteld om op een hoorzitting te worden gehoord, maar heeft hiervan afgezien. De commissie belast met de behandeling van bezwaarschriften heeft een advies opgesteld en dit advies is op de agenda van het college geplaatst. Vervolgens is dit door het college akkoord bevonden en is het bestreden besluit genomen en namens het college getekend door de daartoe (op grond van machtigingen en/of mandaat) bevoegde personen. De rechtbank is van oordeel dat deze procedure voldoet aan de eisen van zorgvuldige en transparante besluitvorming. Ook is het bestreden besluit bevoegd genomen.
Openbaarmaking op grond van artikel 5.3 van de Woo
14. Eiser heeft ter zitting verklaard het college te kunnen volgen in het standpunt dat gelet op de grondslag van het bestreden besluit aan toetsing van artikel 5.3 van de Woo niet toegekomen wordt. Deze beroepsgrond behoeft dan ook geen bespreking meer.

Toepassing van artikel 4.6 van de Woo

15. Artikel 4.6 van de Woo bepaalt dat als een verzoeker om openbaarmaking van informatie kennelijk (1) een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie of (2) het verzoek evident geen bestuurlijke aangelegenheid betreft, het bestuursorgaan binnen twee weken na ontvangst van het verzoek, dan wel onverwijld nadat is gebleken dat de verzoeker kennelijk een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie, kan besluiten het verzoek niet te behandelen.
16. Een indiener van een Woo-verzoek hoeft bij zijn verzoek geen belang te stellen. Dit laat onverlet dat de bevoegdheid tot het indienen van zo’n verzoek met een bepaald doel is toegekend, namelijk dat in beginsel eenieder kennis kan nemen van overheidsinformatie. Nu misbruik van recht zich kan voordoen indien een bevoegdheid wordt aangewend voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven, kan het doel van een Woo-verzoek relevant zijn om te beoordelen of misbruik van recht heeft plaatsgevonden. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van misbruik van recht kan ook het eerdere (procedeer)gedrag van een Woo-verzoeker worden betrokken. [5]
17. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college kunnen oordelen dat sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 4.6 van de Woo. Aannemelijk is gemaakt dat eiser de bevoegdheid om Woo-verzoeken in te dienen voor een ander doel gebruikt dan waarvoor die bevoegdheid is verleend. Het college mocht besluiten het verzoek niet te behandelen. Hiervoor acht de rechtbank het volgende van belang.
17.1.
Uit het dossier valt op dat de verhoudingen tussen eiser en de gemeente Haarlem (in ieder geval) vanaf een met eiser in 2020 gestart re-integratietraject verstoord zijn geraakt. Dit ligt ook ten grondslag aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst per [datum 2] . Onbetwist is verder dat eiser vanaf juni 2021 61 Woo-verzoeken en 31 daarop betrekking hebbende bezwaarschriften heeft ingediend. Ook is niet weersproken dat hij daarnaast nog meerdere andere procedures is gestart, zoals klacht- en tuchtprocedures.
17.2.
Evenmin is weersproken dat deze procedures over het algemeen betrekking hadden op de afdeling HRM, waarbij eiser uitgebreide en continue herhalingen gebruikt in zijn verzoeken en bezwaarschriften. Daarvan is in deze procedure ook gebleken, waarbij sprake is van zo goed als identieke bezwaarschriften met gelijkluidende alinea’s en bijlages. Hierin staan voornamelijk verwijten en frustraties die te koppelen zijn aan (de aanloop naar) het ontslag van eiser. Eiser maakt hierbij bovendien (veelvuldig) gebruik van niet mis te verstane bewoordingen en beschuldigingen richting bestuur, medewerkers en externen.
17.3.
Gelet op de hoeveelheid verzoeken en bezwaren, de aard en omvang hiervan en eisers (procedeer)gedrag kan de conclusie gevolgd worden dat eiser kennelijk niet het doel had om publieke informatie te verkrijgen, maar hiermee – al dan niet uit rancune – zijn onvrede wilde uiten over de organisatie van de gemeente Haarlem en deze wilde belasten.
Hiervoor ziet de rechtbank bijvoorbeeld ook steun in eisers uitdrukking in een mail aan het (voormalig) hoofd van de afdeling HRM waarin hij voorstelt om persoon X (een medewerker van HRM, waarmee eiser het aan de stok lijkt te hebben) mee te laten helpen bij de verwerking van de Woo- verzoeken. Hij schrijft
“Dat zal hij vast leuk vinden. En aangezien er nog een aantal Woo-verzoeken openstaat waar hij zelf de hoofdrol in vervult, kan hij nu dus goed helpen om de hoeveelheid aan Woo-verzoeken te laten verminderen. Ik heb ook nog wel wat meer Woo-verzoeken op stapel staan voor een paar volgende projecten. (…)”Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij (wel) tot doel had publieke informatie te verkrijgen. Dat hij de vele verzoeken, waaronder het onderhavige, heeft ingediend in het kader van een door hem ten behoeve van het grote publiek gestart onderzoek naar praktijken binnen de gemeente Haarlem heeft hij op geen enkele wijze onderbouwd. Daarbij komt dat het al dan niet verrichten van zo’n onderzoek geen rechtvaardiging vormt voor zijn uitlatingen en (procedeer)gedrag.
17.4.
Het college heeft mogen betrekken dat eiser zich als voormalig medewerker heeft moeten realiseren hoe belastend zijn handelen is (geweest) voor de gemeente Haarlem. Daarbij moet hij ook hebben geweten dat hij zijn ontslag en de omstandigheden die daarmee verband houden niet aan de orde kan stellen in het kader van Woo-verzoeken. Ondanks dat heeft hem dat niet van zijn handelwijze weerhouden.
17.5.
De rechtbank acht ook de motivering van het college navolgbaar dat eisers situatie vergelijkbaar is met wat in de Kamerstukken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob, de voorloper van de Woo) over oneigenlijke verzoeken expliciet als voorbeeld van een oneigenlijk verzoek wordt genoemd, namelijk “(…) verzoeken die voortkomen uit een obsessief streven naar openbaarmaking (…)”.
Ontneming van eisers recht om Woo-verzoeken in te dienen
18. Het recht op het indienen van Woo-verzoeken bij het college wordt eiser met de onderhavige besluitvorming niet ontnomen. Eiser kan en mag nog steeds Woo-verzoeken bij het college indienen. Het college dient daarbij per ingediend verzoek (opnieuw) te onderzoeken of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 4.6 van de Woo.
De overige door eiser aangevoerde gronden
1. De door eiser onder r.o. 10.4 tegen het vonnis in kort geding van 22 december 2023 weergegeven gronden laat de rechtbank onbesproken omdat deze vallen buiten de omvang van dit geding.

Conclusie en gevolgen

Het beroep is ongegrond. Het bestreden besluit kan in stand blijven. Dat betekent dat het college het verzoek van eiser op grond van de Woo niet in behandeling heeft hoeven nemen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. J.C. de Wit, voorzitter, en mr. L.M. de Vries en mr. A.R. ten Berge, leden, in aanwezigheid van F. Voskamp, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de kantonrechter van 18 mei 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:4847.
2.Zie de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 18 juli 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1723.
3.De commissie verwijst naar de Memorie van Toelichting bij artikel 4.6 van de Woo en de brief van de minister van BZK uit 2011 (
4.Zie het vonnis in kort geding van 22 december 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:14161.
5.Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:426, van 21 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:974, en van 11 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2291.