Art. 2.1 lid 3 WhtArt. 6.2 lid 1 WhtArt. 6:2 AwbArt. 7:1 lid 1 AwbArt. 8:55d lid 1 Awb
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op aanvraag aanvullende schadevergoeding toeslagenaffaire
Belanghebbende, gedupeerde van de toeslagenaffaire, diende op 4 juli 2023 een aanvraag in voor vergoeding van werkelijke schade. De wettelijke beslistermijn van één jaar verstreek op 4 juli 2024, waarna een nadere beslistermijn van 60 weken gold tot 28 augustus 2025. Verweerder nam echter niet tijdig een besluit, ondanks eerdere dwangsommen en rechterlijke termijnen.
De rechtbank oordeelt dat de aanvraag niet is opgeschort en belanghebbende derhalve belang heeft bij het beroep wegens niet tijdig beslissen. De rechtbank bepaalt dat verweerder binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen. Voor elke dag overschrijding van deze termijn verbeurt verweerder een dwangsom van € 250, met een maximum van € 37.500.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten van belanghebbende en draagt zij op het betaalde griffierecht te vergoeden. De uitspraak bevestigt de strikte naleving van beslistermijnen bij schadevergoedingsaanvragen in de toeslagenaffaire en versterkt de rechtspositie van gedupeerden.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt verweerder op binnen twee weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit te nemen, met een dwangsom van € 250 per dag overschrijding.
Uitspraak
Rechtbank noord-holland
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/3513
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 april 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. N. Kose-Albayrak),
en
de Dienst Toeslagen, verweerder.
Procesverloop
Belanghebbende heeft een herhaald beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op de hierna onder 2 genoemde aanvraag.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2025 te Haarlem.
Belanghebbende en haar gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht aan de rechtbank, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] , mr. [naam 2] en [naam 3] .
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en verweerder in de gelegenheid gesteld het ter zitting ingenomen standpunt te onderbouwen. Verweerder heeft bij e-mailbericht van 16 december 2025 gereageerd. De rechtbank heeft dit bericht doorgestuurd aan belanghebbende en belanghebbende in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren. Belanghebbende heeft gereageerd bij e-mailbericht van 6 januari 2026. Vervolgens heeft de rechtbank bij brief van 12 januari 2026 aangegeven een nadere zitting niet nodig te achten en partijen in de gelegenheid gesteld om aan te geven of zij ter zitting mondeling wilden worden gehoord. Partijen hebben niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn op dit verzoek gereageerd en dus heeft de rechtbank geconcludeerd dat partijen afzien van een nadere zitting. Het onderzoek is vervolgens gesloten op 9 februari 2026.
Overwegingen
Feiten
1. Belanghebbende is gedupeerde van de toeslagenaffaire en is gecompenseerd voor de daardoor geleden schade. Op 4 juli 2023 heeft belanghebbende bij de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS) een verzoek tot toekenning van een aanvullende schadevergoeding ingediend. Per brief van verweerder van 8 december 2023 is aan belanghebbende meegedeeld dat de termijn waarop op haar verzoek moest worden beslist met zes maanden werd verlengd. De beslistermijn zou daarmee aflopen op 4 juli 2024.
2. Op 9 juli 2024 heeft belanghebbende verweerder van het nemen van een beslissing op haar verzoek in gebreke gesteld. Omdat verweerder niet binnen twee weken daarna een beslissing kon nemen heeft verweerder aan belanghebbende bij beschikking van 11 september 2024 een dwangsom toegekend van € 1.442. Omdat een beslissing ook toen nog uitbleef, heeft belanghebbende tegen het niet tijdig nemen van een besluit beroep ingesteld.
3. Op 14 november 2024 heeft de rechtbank Den Haag (SGR 24/7233) uitspraak gedaan op het beroep van belanghebbende tegen het niet tijdig nemen van het besluit en beslist dat verweerder binnen zes weken na verzending van de uitspraak een besluit moet nemen op het verzoek en dat verweerder, voor elke dag dat die termijn zou worden overschreden aan belanghebbende een dwangsom moet betalen van € 100, met een maximum van € 15.000.
4. Omdat ook na de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 november 2024 een beslissing van verweerder uitbleef, heeft belanghebbende op 27 mei 2025 tegen het niet tijdig nemen van het besluit opnieuw beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag. Omdat belanghebbende in [woonplaats] woont heeft de griffier van die rechtbank het beroepschrift doorgestuurd naar deze rechtbank.
Geschil5.In geschil is primair of belanghebbende een belang heeft bij het beroep wegens niet-tijdig beslissen. Indien er een belang is en het beroep ontvankelijk is, is in geschil de termijn waarbinnen verweerder alsnog een beslissing moet nemen op de aanvraag tot toekenning van een vergoeding van werkelijke schade, en of en voor welk bedrag verweerder bij overschrijding van die termijn een dwangsom verbeurt.
6. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij belang heeft bij haar beroep en dat de rechtbank verweerder moet opdragen binnen twee weken na de datum van de uitspraak van de rechtbank een beslissing te nemen en dat verweerder een dwangsom dient te verbeuren van € 250 voor elke dag dat die termijn wordt overschreden, met een maximum van € 37.500.
7. Ter zitting heeft verweerder zich primair op het standpunt gesteld dat de aanvraag van belanghebbende op haar verzoek is aangehouden in verband met de introductie van nieuwe schaderoutes en dat de beslissing op de aanvraag gedurende die periode is opgeschort, zodat belanghebbende geen belang heeft bij het ingediende beroep niet-tijdig beslissen.
Verweerder neemt subsidiair het standpunt in dat voor het bepalen van de beslistermijn en de dwangsom moet worden aangesloten bij de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1301. Aldus verzoekt verweerder een nadere beslistermijn te bepalen van 60 weken vanaf het verstrijken van de wettelijke beslistermijn. Bij een herhaald beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit, zoals in het onderhavige geval, verzoekt verweerder de nadere beslistermijn zo vast te stellen dat eveneens vanaf het verstrijken van de beslistermijn in totaal een nadere beslistermijn van 60 weken wordt gegeven. Voorts verzoekt verweerder te bepalen dat de volgende periodes niet meetellen voor de op te leggen nadere beslistermijn:
- de gegunde bedenktijd aan ouders indien zij na indiening van een aanvraag nog niet weten welke schaderoute zij willen kiezen, tot het moment dat die bedenktijd is verstreken c.q. ouders kiezen voor afhandeling van hun schade via de CWS;
- de periode waarin ouders niet langer in de wachtrij staan of in behandeling zijn bij de CWS omdat zij hebben verzocht om c.q. tevens zijn opgenomen in een andere schaderoute.
Beoordeling van het geschil
Beroep tegen niet tijdig nemen van een beslissing
8. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld (artikel 6:2 aanhefPro en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)). De rechtbank Den Haag heeft in de uitspraak van 14 november 2024 voor het laatst een termijn gesteld met daaraan gekoppeld een rechterlijke dwangsom.
9. De rechtbank stelt vast dat de bij uitspraak van 14 november 2024 opgedragen termijn is verstreken. Op de datum van het instellen van het beroep, te weten 27 mei 2025, was de maximale rechterlijke dwangsom volgelopen. Tot op heden heeft verweerder niet beslist op het verzoek van belanghebbende.
Is de beslissing op belanghebbendes verzoek opgeschort?
10. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat de beslissing op belanghebbendes aanvraag is opgeschort heeft verweerder een e-mailbericht aan de gemachtigde overgelegd dat is verzonden op 2 september 2025 en waarin, voor zover van belang, staat vermeld:
“Ter bevestiging: ik heb aan ons planningsteam doorgegeven dat alle toekomstig in te plannen gesprekken even on hold worden gezet in verband met de andere schaderoutes die op korte termijn beschikbaar zullen worden. Voor wat betreft de gesprekken die deze week en volgende weken staan ingepland laat u ons weten of de gesprekken alsnog doorgang vinden (…)”
Volgens verweerder heeft de gemachtigde voor de onderhavige zaak niet aangegeven dat zij de zaak verder door de CWS wil laten behandelen.
11. Belanghebbende heeft het standpunt van verweerder betwist en gesteld dat het toelichtingsgesprek in de onderhavige zaak reeds op 14 mei 2025 heeft plaatsgevonden en op 20 juni 2025 een aanvulling op het gespreksverslag is gegeven. De door verweerder overlegde mailwisseling heeft betrekking op de (op 2 september 2025) nog te plannen en reeds geplande gesprekken. Deze zaak is dus nimmer in de wacht gezet, aldus belanghebbende.
12. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat de zaak van belanghebbende is aangehouden en de beslissing is opgeschort. Zoals belanghebbende onweersproken heeft gesteld, heeft het gesprek bij de CWS plaatsgevonden vóórdat er afspraken zijn gemaakt over de in te plannen en reeds geplande gesprekken, en valt de onderhavige zaak dus niet onder die afspraken. Dit betekent dat belanghebbende belang heeft bij een beslissing op haar beroep niet-tijdig beslissen.
13. Gelet op het voorgaande is sprake van overschrijding van de beslistermijn. Het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek van belanghebbende is daarom gegrond.
Nadere beslistermijn
14. Aangezien het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, moet de rechtbank het bestuursorgaan opdragen om in principe binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend te maken (artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb). Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen (artikel 8:55d, derde lid, van de Awb). Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dat die termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.
15. Belanghebbende voert aan dat de eerder door de rechtbank opgelegde beslistermijn is verstreken, zodat verweerder nu binnen twee weken na de uitspraak op de aanvraag moet beslissen.
16. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025 – over bezwaarzaken in het kader van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) – overeenkomstig zou moeten worden toegepast op zaken als deze waarin een betrokkene een aanvraag om aanvullende compensatie heeft ingediend bij de CWS. In het belang van eenduidigheid verzoekt verweerder de rechtbank om een nadere termijn te bepalen van 60 weken vanaf het verstrijken van de wettelijke beslistermijn, waarbij deels tegemoet gekomen wordt aan de feitelijke doorlooptijd van de behandeling van aanvragen om vergoeding van werkelijke schade.
17. De rechtbank heeft in de uitspraak van 16 februari 2025, ECLI:NL:RBNHO:2026:1532, voor zaken als deze waarin een betrokkene een aanvraag om aanvullende schadevergoeding heeft ingediend bij de CWS, een nadere beslistermijn gesteld van 60 weken na ommekomst van de wettelijke beslistermijn. Ook bij een herhaald beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing wordt de nadere beslistermijn zo vastgesteld dat er steeds vanaf het verstrijken van de wettelijke beslistermijn in totaal een nadere beslistermijn van 60 weken wordt gegeven.
18. De beslistermijn van 60 weken begint te lopen vanaf de eerste dag waarop de wettelijke beslistermijn op grond van artikel 2.1, derde lid, in samenhang met artikel 6.2, eerste lid, van de Wht is verstreken. Als deze termijn al is verstreken op het moment dat de rechtbank uitspraak doet, zal de rechtbank in beginsel een nadere beslistermijn van twee weken vanaf verzending van de uitspraak op het beroep bepalen.
19. Hetgeen hiervoor is vermeld en overwogen betekent in het geval van belanghebbende het volgende. Belanghebbende heeft op 4 juli 2023 een aanvraag ingediend voor vergoeding van werkelijke schade, waarna de wettelijke beslistermijn op 4 juli 2024 is verstreken. De nadere beslistermijn van 60 weken na ommekomst van de wettelijke beslistermijn is verstreken op 28 augustus 2025. Dit betekent dat verweerder binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een beslissing moet nemen op de aanvraag van belanghebbende. De rechtbank overweegt dat het verzoek van verweerder om te bepalen dat de nadere beslistermijn niet loopt gedurende bepaalde periodes, is voorbehouden aan situaties waarin een nadere beslistermijn van 60 weken wordt gegeven, maar in dit geval is de 60 weken periode al verstreken.
Dwangsom
20. In navolging van de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025 bepaalt de rechtbank dat verweerder een dwangsom van € 250 moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde nadere beslistermijn van twee weken overschrijdt, met een maximum van € 37.500.
Proceskosten
21. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 700,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 0,5 punt voor het verstrekken van inlichtingen, met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 0,5).
22. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
-verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag aanvullende schadevergoeding bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan belanghebbende een dwangsom van € 250 moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500;
-veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 700,50;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53 aan belanghebbende te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. van As, voorzitter, en mr. G.H. de Soeten en mr. C. Huisman, leden, in aanwezigheid van H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.