Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 januari 2026 in de zaak tussen
[eiseres 2], mede als erven van
[eiser], uit [plaats] , eisers
Rechtbank Noord-Holland
Eisers, wonend nabij een pop- en cultuurpodium geëxploiteerd door een stichting, maakten bezwaar tegen de door de burgemeester verleende horeca-exploitatievergunning voor onbepaalde tijd. Zij stelden dat de vergunning zou leiden tot onevenredige overlast en dat 2022 geen representatief jaar was om de vergunning voor onbepaalde tijd te verlenen.
De burgemeester had de vergunning verleend op basis van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV), waarbij uitgangspunt is dat vergunningen voor onbepaalde tijd worden verleend tenzij de nadelige invloed op woon- en leefklimaat niet met voldoende zekerheid kan worden beoordeeld. De rechtbank volgde de burgemeester in zijn oordeel dat 2022 een representatief jaar was en dat er geen concrete overlast was aangetoond.
Daarnaast werd het standpunt van eisers dat sprake zou zijn van vooringenomenheid van de burgemeester verworpen. De rechtbank stelde vast dat er geen privaatrechtelijke inmenging was en dat de subsidierelatie onvoldoende was om vooringenomenheid aan te nemen.
Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de vergunning in stand bleef. Wel werd de Staat veroordeeld tot een schadevergoeding van €1.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn en tot betaling van proceskosten van €467 aan eisers.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de vergunningverlening, terwijl de Staat wordt veroordeeld tot schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.