Uitspraak
1.De procedure
- de producties van [gedaagde]
- de mondelinge behandeling van 18 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
Nadat de inhoud van de overeenkomst – dat wil zeggen de wederzijdse rechten en verplichtingen – is vastgesteld (uitleg), moet worden beoordeeld of die overeenkomst is aan te merken als een huurovereenkomst (kwalificatie). Als de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de huurovereenkomst, moet de overeenkomst als zodanig worden aangemerkt. Voor deze kwalificatie is niet van belang of partijen de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de huurovereenkomst te laten vallen [6] .
Als onderbouwing van die stelling heeft [gedaagde] diverse verklaringen in het geding gebracht waaruit afspraken hieromtrent zou moeten volgen. De verklaringen onderbouwen dit standpunt echter onvoldoende. Zo hebben diverse verklaringen uitsluitend betrekking op de wijze van aankoop (en financiering) van enkele panden door Erol en geven zij geen inzicht in de totstandkoming van de huurovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] . Verder zijn er verklaringen van oud-bestuurders (en gebruikers van het gehuurde) over de periode vóór de interne religieuze breuk en niet over de daadwerkelijke totstandkoming van de huurovereenkomst, die plaatsvond na het overlijden van de geestelijk leider en na de breuk. In die verklaringen wordt steeds gesteld dat [eiser] na de religieuze breuk in 2023 en het overlijden van de geestelijk leider, misbruik is gaan maken van een papieren werkelijkheid die niet strookt met de feitelijke werkelijkheid. Echter, de huurovereenkomst dateert van 1 november 2023 en dus pas van na de religieuze breuk, waardoor niet kan worden gezegd dat [eiser] misbruik is gaan maken van een al bestaande papieren werkelijkheid, nog daargelaten dat de huur tot september 2024 is betaald. Daarbij lijkt het er ook op dat het feitelijk gebruik waaraan in de verklaringen wordt gerefereerd, ziet op de periode van vóór het sluiten van de huurovereenkomst. Ook de verklaringen dat geen sprake zou zijn van een commerciële huurrelatie, exclusieve zeggenschap of afgesloten toegang kunnen niet als bewijs dienen dat er geen huurovereenkomst is, omdat dat dit geen vereisten zijn voor een huurovereenkomst.