ECLI:NL:RBNHO:2026:7513
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over weigering kwijtschelding schuld op grond van hardheidsclausule Wht
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om zijn openstaande vorderingen niet kwijt te schelden op grond van artikel 3.6, vierde lid, onder c, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Na een tussenuitspraak waarin de rechtbank oordeelde dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan naar de toepassing van de hardheidsclausule, heeft het UWV een nieuw besluit genomen waarin het bezwaar opnieuw ongegrond werd verklaard.
De rechtbank stelt vast dat het UWV in het nieuwe besluit weliswaar de strafrechtelijke afdoening (taakstraf) heeft betrokken, maar nog steeds onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de persoonlijke omstandigheden van eiser, zoals zijn financiële en gezondheidssituatie. Het UWV heeft niet actief contact gezocht met eiser om deze omstandigheden nader te onderzoeken en heeft zich beperkt tot de stelling dat eiser zijn standpunt onvoldoende heeft onderbouwd.
De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het tweede besluit gegrond is en vernietigt dit besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Het UWV wordt opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak en de eerdere tussenuitspraak. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan eiser vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen het tweede besluit van het UWV wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd wegens onvoldoende onderzoek naar onbillijkheden van overwegende aard.