ECLI:NL:RBNHO:2026:7513

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
HAA 24/8281
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.6 WhtArt. 3:2 AwbArt. 6:19 AwbArt. 7:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit UWV over weigering kwijtschelding schuld op grond van hardheidsclausule Wht

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om zijn openstaande vorderingen niet kwijt te schelden op grond van artikel 3.6, vierde lid, onder c, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Na een tussenuitspraak waarin de rechtbank oordeelde dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan naar de toepassing van de hardheidsclausule, heeft het UWV een nieuw besluit genomen waarin het bezwaar opnieuw ongegrond werd verklaard.

De rechtbank stelt vast dat het UWV in het nieuwe besluit weliswaar de strafrechtelijke afdoening (taakstraf) heeft betrokken, maar nog steeds onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de persoonlijke omstandigheden van eiser, zoals zijn financiële en gezondheidssituatie. Het UWV heeft niet actief contact gezocht met eiser om deze omstandigheden nader te onderzoeken en heeft zich beperkt tot de stelling dat eiser zijn standpunt onvoldoende heeft onderbouwd.

De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het tweede besluit gegrond is en vernietigt dit besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Het UWV wordt opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak en de eerdere tussenuitspraak. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan eiser vergoed.

Uitkomst: Het beroep tegen het tweede besluit van het UWV wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd wegens onvoldoende onderzoek naar onbillijkheden van overwegende aard.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/8281

uitspraak van de meervoudige kamer van 2 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigden: mr. D. Brandt en N. Schoonhoven-Zuidema).

Procesverloop

In het besluit van 28 maart 2024 (primair besluit) heeft het Uwv besloten dat eisers openstaande vorderingen niet worden kwijtgescholden.
In het besluit van 6 november 2024 (bestreden besluit I) heeft het Uwv het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen bestreden besluit I beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 28 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
In de tussenuitspraak van 12 december 2025 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het Uwv in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen.
Het Uwv heeft in reactie op de tussenuitspraak op 17 februari 2026 een nieuw besluit genomen. Daarbij heeft het Uwv het bezwaar van eiser opnieuw ongegrond verklaard en het verzoek tot kwijtschelding opnieuw afgewezen.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. [1]
2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat het Uwv onvoldoende heeft onderzocht en gemotiveerd of de schulden van eiser het gevolg zijn van gedragingen als bedoeld in artikel 3.6, vierde lid, onder c, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De rechtbank heeft tevens geoordeeld dat het Uwv onvoldoende heeft onderzocht en gemotiveerd dat niet op grond van de hardheidsclausule van toepassing van artikel 3.6, vierde lid, onder c, van de Wht kan worden afgeweken. De rechtbank heeft geconcludeerd dat bestreden besluit I daarmee in strijd was met artikel 3:2 en Pro artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarna het Uwv in de gelegenheid is gesteld deze gebreken binnen zes weken te herstellen. Daarbij heeft de rechtbank het Uwv in overweging gegeven ook het nieuwe beoordelingskader voor een beroep op dringende redenen om van herziening en terugvordering af te zien, in de beoordeling te betrekken.
3. Het Uwv heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en op 17 februari 2026 een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiser genomen (bestreden besluit II). De rechtbank begrijpt hieruit dat het Uwv bestreden besluit I heeft vervangen door bestreden besluit II. De rechtbank zal daarom bestreden besluit II, gelet op het bepaalde in artikel 6:19 van Pro de Awb, in de beoordeling betrekken.
Bestreden besluit I
4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geen belang meer bij de beoordeling van bestreden besluit I. Voor zover het beroep gericht is tegen dit besluit verklaart de rechtbank het beroep in zoverre niet-ontvankelijk. Een beslissing over de proceskosten volgt later.
Bestreden besluit II - Kwijtschelding
5. In bestreden besluit II overweegt het Uwv dat de vorderingen in het geval van eiser zijn ontstaan als gevolg van het overtreden van de inlichtingenverplichting. Hoewel er volgens het Uwv geen sprake is van opzet en grove schuld, betekent dit niet dat de schulden voor kwijtschelding in aanmerking komen. Uit pagina 48 en 49 van de Memorie van Toelichting bij de Wht blijkt dat kwijtschelding niet plaatsvindt als er vervolging is ingesteld op grond van het strafrecht. Dit is bij eiser het geval. Het Uwv heeft navraag gedaan bij het Openbaar Ministerie waaruit is gebleken dat aan eiser, na aangifte van het Uwv, een taakstraf is opgelegd. Het Uwv vindt daarom dat kwijtschelding in dit geval achterwege moet blijven.
6. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv het op dit punt in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek voldoende heeft hersteld. Uit wat in overweging 5. is vermeld volgt dat het Uwv de uitkomst van de aangifte en de oplegging van de taakstraf bij zijn afweging heeft betrokken. Eiser heeft dit verder ook niet bestreden. Het Uwv heeft met deze motivering kunnen oordelen dat het verzoek tot kwijtschelding op grond van artikel 3.6, vierde lid, onder c, van de Wht kon worden afgewezen. De hierover door eiser aangevoerde gronden slagen daarom niet.
Hardheidsclausule
7. Het Uwv stelt in bestreden besluit II verder dat het beroep op de hardheidsclausule niet slaagt. Daartoe overweegt het Uwv dat de situatie van eiser niet als schrijnend aangemerkt kan worden omdat eiser dit standpunt onvoldoende heeft onderbouwd. Het enkele gegeven dat hij gedupeerde is van de problemen met de kinderopvangtoeslag, maakt volgens het Uwv niet dat toepassing van de hardheidsclausule aan de orde is. Ook heeft eiser niet onderbouwd dat sprake is van onbillijkheden van overwegende aard door het afzien van de kwijtschelding. Het Uwv heeft verder overwogen dat er geen dringende redenen zijn om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dat eiser is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire maakt niet dat sprake is van dringende redenen. Ook is de vordering door toedoen van eiser ontstaan en is geen sprake geweest van een fout van het Uwv. Ten slotte is het Uwv niet gebleken van ernstige financiële problemen, gelet op de betalingsregeling die is getroffen.
8. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv in het kader van het beroep op de hardheidsclausule (nog steeds) onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de vraag of toepassing van artikel 3.6, vierde lid, onder c, van de Wht in dit geval leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Zoals ook in de tussenuitspraak is overwogen, vergt zo’n onderzoek dat de situatie van eiser opnieuw in kaart wordt gebracht. Uit bestreden besluit II blijkt niet dat het Uwv onderzoek heeft gedaan naar de moeilijke financiële situatie van eiser en zijn gezondheidssituatie, zoals ter zitting aan de orde is gekomen en ook in de tussenuitspraak is benoemd. Niet is gebleken dat het Uwv eiser bijvoorbeeld heeft uitgenodigd op kantoor voor een nadere toelichting of op een andere manier contact heeft gehad met eiser over deze omstandigheden. Het Uwv heeft niet kunnen volstaan met zijn herhaalde enkele stelling dat eiser zijn standpunt hierover onvoldoende heeft onderbouwd. Verder heeft het Uwv in bestreden besluit II weliswaar een standpunt ingenomen over de afwezigheid van dringende redenen bij eiser om van herziening en terugvordering van uitkering af te zien. Maar het Uwv heeft dit standpunt niet kenbaar in de belangenafweging in het kader van het beroep op de hardheidsclausule meegewogen.
9. Gelet op wat de rechtbank heeft overwogen in deze uitspraak en gelet op de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken, is het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit II gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit II, wegens strijd met artikel 3:2 en Pro artikel 7:12 van Pro de Awb. Het Uwv moet daarom een nieuw besluit nemen rekening houdend met deze uitspraak en de tussenuitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak. De rechtbank merkt op dat deze termijn pas begint nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken of, indien hoger beroep wordt ingesteld, nadat op het hoger beroep is beslist.
10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit I niet ontvankelijk;
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit II gegrond;
- vernietigt bestreden besluit II;
- draagt het Uwv op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak;
- draagt het Uwv op het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. van Beek, voorzitter, en mr. L.M. Kos en
mr. A.R. ten Berge, leden, in aanwezigheid van mr. I.E. Molin, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR5704 en 15 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4694.