Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
1.De procedure
- het vonnis van 18 december 2013
- het proces-verbaal van comparitie van 27 oktober 2014
- de akte uitlating van [naam verweerster] van 3 december 2014
- de akte uitlating van [naam eiser] van 3 december 2014.
2.2. De vermeerdering van de eis reconventie
3.De verdere beoordeling in conventie en reconventie
De rechtbank begrijpt uit de vordering in conventie en de vordering in reconventie dat partijen beide vorderen dat de rechtbank de verdeling van de ontbonden gemeenschap van goederen vaststelt.
€ 5.000,-- is gevormd met door [naam eiser] onder uitsluitingsclausule verkregen gelden uit erfenis. Tot een bedrag van € 27.157,-- is de waarde van de polis gemeenschappelijk en dient tussen partijen te worden verdeeld.
€ 13.578,50 (€ 27.157,- : 2) dient te vergoeden.
Partijen hebben geen afspraken kunnen maken op welke wijze de polis dient te worden verdeeld. [naam verweerster] wenst de polis door te laten lopen tot einde looptijd. [naam eiser] wenst dat de polis thans wordt gesplitst.
Het staat tussen partijen vast dat [naam eiser] van het erfdeel van zijn moeder een bedrag van
€ 20.000,-- heeft aangewend voor de financiering van de [merknaam auto]. De auto is op naam van [naam verweerster] gesteld, de factuur van aankoop staat eveneens op haar naam.
€ 20.000,-- op de gemeenschap oplevert. [naam verweerster] heeft evenwel onbetwist gesteld en [naam eiser] heeft erkend dat de helft van de verkoopopbrengst, € 6.000,-- aan hem is betaald. Ter comparitie van 6 december 2012 heeft [naam eiser] erkend dat dit bedrag van € 6.000,-- in mindering strekt op het door hem gestelde vergoedingsrecht. Hij handhaaft tot een bedrag van € 14.000,-- zijn aanspraak op een vergoedingsrecht voor zover het de financiering van de auto betreft.
voorts is cliënt van mening dat het geld dat beide partijen hebben ontvangen ten aanzien van de [merknaam auto] en de grond, ook door uw cliënte dient te worden aangewend om in haar levensonderhoud te voorzien.[naam eiser] heeft niet betwist dat hij zich aldus heeft uitgelaten. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat [naam verweerster] heeft kunnen begrijpen dat [naam eiser] geen aanspraak meer zou maken op zijn vergoedingsrecht voor zover het de financiering van de auto betrof. De rechtbank is wat betreft het bedrag van € 14.000,-- dan ook van oordeel dat [naam eiser] zijn vergoedingsrecht prijs heeft gegeven.
€ 58.637,67. Het restant van het in depot gestelde bedrag, zijnde € 4.200,82, komt de gemeenschap toe en dient tussen partijen te worden verdeeld. Ieder heeft aanspraak op een bedrag van € 2.100,41.
€ 13.578,50 (€ 27.157,-- : 2) dient te vergoeden;
€ 306,50, aan [naam verweerster] te vergoeden;
€ 10.036,15 dient door partijen te worden gesplitst op de door de verzekeraar aangegeven wijze, derhalve aldus dat de helft van de waarde uit de verzekering gehaald wordt per datum echtscheiding. Met dit bedrag zal er een nieuwe lijfrenteverzekering/lijfrenterekening aangevraagd moeten worden.
€ 2.100,41.
De proceskosten