Eiser was sinds 1985 in dienst bij BKF als kraanmachinist en viel in 2005 uit wegens nek- en schouderklachten gerelateerd aan een te kleine kraancabine. Na diverse re-integratiepogingen en functies als terreinchef en chauffeur, werd zijn dienstverband in 2013 opgezegd wegens bedrijfseconomische redenen, waaronder het vervallen van functies door verkoop van kranen.
Eiser stelde dat zijn ontslag kennelijk onredelijk was omdat BKF de functie verkeerd had omschreven en het afspiegelingsbeginsel niet correct had toegepast. De kantonrechter oordeelde dat de ontslagvergunning terecht was verleend door het UWV en dat BKF geen valse of voorgewende reden had gebruikt.
Hoewel eiser financieel nadeel leed, vond de rechter dat het belang van BKF bij personeelsreductie zwaarder woog. Er waren geen passende functies beschikbaar en de arbeidsovereenkomst was correct beëindigd. De vordering werd afgewezen en de proceskosten werden gecompenseerd.