Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
1.Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
2.Beoordeling van het bewijs
.Voorts geldt dat [medeverdachte 4] heeft verklaard dat de dagomzetformulieren van de restaurants in het [adres 2] en aan [adres 1] werden ingevuld door verdachte, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] . De rechtbank leidt uit deze verklaring af dat de dagomzetformulieren van het restaurant aan [adres 1] werden ingevuld door verdachte en [medeverdachte 3] , aangezien uit het dossier niet blijkt dat [medeverdachte 2] betrokken was bij de gang van zaken in het restaurant aan [adres 1] . Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte en [medeverdachte 3] de dagafsluiting van het kassasysteem verrichten. Daarbij neemt zij in aanmerking dat het ook voor de hand ligt dat het verrichten van de administratieve dagafsluiting en het invullen van de dagomzetformulieren wordt gedaan door een leidinggevende. Ook blijkt uit de verklaring van [medeverdachte 4] dat verdachte de enveloppen met het geld van het restaurant aan [adres 1] meenam naar hun woning. Nu [medeverdachte 4] zijn verklaring niet heeft beperkt tot een bepaalde periode, gaat de rechtbank ervan uit dat deze betrekking heeft op de gehele ten laste gelegde periode. De verklaring van [medeverdachte 4] sluit aan bij de omstandigheid dat in een nachtkastje in de slaapkamer van verdachte en [medeverdachte 4] twee enveloppen zijn aangetroffen met daarop de opschriften "26-09-2011 Bank" en "26-09-11" gevolgd door een "X", waarin dubbele kasafslagen zaten met betrekking tot 26 september 2011. Uit de omstandigheid dat verdachte de enveloppen meenam en het aantreffen van de dubbele enveloppen in haar slaapkamer leidt de rechtbank af dat verdachte op de hoogte was van de werkwijze ten aanzien van de dubbele enveloppen betreffende dezelfde dag met de opschriften "bank" en "X". De rechtbank acht deze dubbele enveloppen - ondanks dat zij betrekking hebben op september 2011 - dan ook mede van belang voor de onder 1. en 2. ten laste gelegde periode.
3.Bewezenverklaring
4.Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
5.Strafbaarheid van verdachte
6.Strafmotivering
7.Inbeslaggenomen goederen
8.Toepassing van wetsartikelen
een gedeelte, groot vijf maanden,niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.