Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Almere, verweerder
de Minister voor Rechtsbescherming, de Minister.
Procesverloop
Overwegingen
Op 31 december 2010 wordt een bedrag van € 59.171,26 uit de kas geboekt met als tegen rekening kas Stichting [radiostation] . Stichting [radiostation] is een andere rechtspersoon die formeel geen onderdeel uitmaakt van [eiseres] en dus niet verward moet worden met de daar onder vallende activiteit [radiostation] .
Op 31 december 2010 wordt een bedrag van € 28.502,18 geboekt als zijnde rente over de jaren 2001 tot en met 2005. Het zou de rente betreffen over een lening van f 200.000 die in het jaar 2001 door de heren [heren] , beiden woonachtig in [buitenland] , zou zijn verstrekt. Inzake deze lening is een lening overeenkomst overgelegd.
Correctie 2010 € 20.000”
2011is het belastbaar bedrag verminderd met € 1.132 en voor
2012is het belastbaar bedrag met € 878 verminderd.
€ 28.502
€ 1.132-/-
€ 23.394
878-/-
f200.000 heeft bestaan en dat daarover rente in de boekhouding is verantwoord. Onder die omstandigheden kan de uitbetaling van die rente, naar het oordeel van de rechtbank, niet zonder nadere onderbouwing worden aangemerkt als omzet. Dat de hoofdschuld al eerder is afgelost, maakt dat niet anders. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de gerede twijfel die eiseres heeft gezaaid, met de enkele stelling dat het onaannemelijk is dat deze betaling een aflossing van een renteschuld is, onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd voor het vermoeden dat dit bedrag moet worden bijgeteld als omzet en als winst. De rechtbank merkt hierbij nog op, dat een eerder in de boekhouding als aflossing (uit hoofde van op de schuld bijgeboekte rente) verwerkte uitgave geen uitgave is die ten laste van de verantwoorde winst is gekomen. Ook als verweerder aan het realiteitsgehalte van de boeking als aflossing twijfelt, is het voor de rechtbank een brug te ver om op grond daarvan aannemelijk te achten dat de winst in het jaar 2010 hoger moet zijn geweest.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de navorderingsaanslag Vpb 2010 tot een aanslag berekend naar een belastbare winst en een belastbaar bedrag van € 13.255;
- vermindert de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig;
- vermindert de boete tot een bedrag van € 1.509;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar;
- vernietigt de navorderingsaanslagen Vpb 2011 en 2012;
- vernietigt de respectievelijke beschikkingen heffings- en belastingrente;
- vernietigt de boetebeschikkingen;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;
- veroordeelt verweerder tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 100;
- veroordeelt de Minister tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 900;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht in de zaken 16/3131, 16/3132, 16/3133 en 16/3134 van in totaal vier maal € 334 is € 1.002 aan eiseres te vergoeden, waarbij de rechtbank opmerkt dat in de zaken met de procedurenummers 19/1096 en 19/1097 geen griffierecht is geheven;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.149, overeenkomstig hetgeen is overwogen onder 30.