Eiser verrichtte tussen 2009 en 2012 werkzaamheden op het motortankschip Sajeba en verzocht de Sociale verzekeringsbank (Svb) om een regularisatieovereenkomst te sluiten met Luxemburg over de toepasselijkheid van het Luxemburgse socialezekerheidsrecht. De Svb stemde gedeeltelijk toe voor de periode tot 31 mei 2012, maar weigerde voor de periode van 1 juni tot en met 31 december 2012. Eiser stelde dat de brief van de Luxemburgse autoriteit van 17 februari 2016, waarin akkoord werd gegeven voor regularisatie over die periode, gerespecteerd moest worden en dat hij kon vertrouwen op het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. De rechtbank oordeelde dat een regularisatieovereenkomst een wilsverklaring van beide partijen vereist en dat de Svb niet gehouden was de brief van Luxemburg te respecteren. Tevens oordeelde de rechtbank dat eiser na ontvangst van een duidelijke brief van de Belastingdienst in 2012 redelijkerwijs had kunnen weten dat hij onder de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving viel.
De rechtbank stelde vast dat de Svb onvoldoende had gemotiveerd waarom er geen bijzondere omstandigheden waren die regularisatie over de periode in geding rechtvaardigen. De Svb erkende fouten en vertragingen in de procedure en had onvoldoende aandacht besteed aan de financiële problemen van eiser en de bijzondere omstandigheden die eiser had aangevoerd, waaronder netto loonafspraken en mogelijke dubbele lasten. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg de Svb op een nieuw besluit te nemen met een deugdelijke motivering, waarbij de bijzondere omstandigheden opnieuw moeten worden onderzocht. Tevens werd de Svb veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.