Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2020 in de zaak tussen
[eisers], te [plaats], eisers,
derde-partijheeft aan het geding deelgenomen: [vergunninghoudster]
Rechtbank Noord-Nederland
Vergunninghoudster vroeg een omgevingsvergunning aan voor uitbreiding en herindeling van een ligboxenstal, inclusief nieuwe kuilvoeropslagen, een wasplaats en vaste mestopslag. Eisers, buren, stelden beroep in tegen het besluit van het college dat de vergunning verleende. Zij voerden onder meer aan dat de stikstofdepositie leidt tot ecologische schade, dat gezondheidsrisico's door geur, fijnstof en zoönosen onvoldoende zijn beoordeeld, en dat bodemdaling door veengrond dreigt.
De rechtbank oordeelde dat de aanvraag voor natuurvergunning (Wet natuurbescherming) apart is ingediend en dat dit niet verplicht is om te combineren met de omgevingsvergunning. De Wnb staat niet op voorhand aan de uitvoering van het project in de weg. Het akoestisch onderzoek en geurtoetsing voldeden aan de geldende normen, en er was geen aannemelijk bewijs dat de uitbreiding gezondheidsrisico's zou veroorzaken. Bodemdaling werd niet als toetsingsgrond voor de vergunningverlening gezien.
Verder wees de rechtbank erop dat politieke en maatschappelijke bezwaren buiten haar beoordeling vallen. Ook de klacht over niet-naleving van eerdere beplantingsverplichtingen betreft handhaving, niet de vergunning zelf. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning voor uitbreiding en herindeling van de ligboxenstal wordt ongegrond verklaard.