Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 3 juni 2021 in de zaak tussen
de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Amsterdam, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Liquidatieverlies art. 13d VpB
Tijdens het hoorgesprek wordt uitgesproken dat N.V. [eiseres] er niet op uit is geweest om een verlies in de belaste periode te laten vallen, terwijl dat, door middel van een eerdere liquidatie, ook in de jaren daarvoor gerealiseerd had kunnen worden. [naam] geeft aan dat ook van de zijde van de belastingdienst de overtuiging bestaat, dat hiervan geen sprake is.”
De Wet Vpb 1969 bevat een specifiek waarderingsvoorschrift voor immateriële activa op de openingsbalans(rechtbank: artikel 33 Wet Pro VPB)
. Dit waarderingsvoorschrift geldt zowel voor de openingsbalans van directe als van indirecte overheidsondernemingen. [2] ” De rechtbank leidt hieruit af dat de wetgever ervoor heeft gekozen het overgangsrecht tot een paar onderwerpen te beperken en welbewust voor andere onderwerpen, waaronder de liquidatieverliesregeling, niet in overgangsrecht te voorzien. In die lijn past ook verweerders verklaring ter zitting dat het niet de bedoeling van de wetgever was om bij de Wet modernisering Vpb-plicht overheidsondernemingen meteen alles uit en te na te regelen en dat er bewust gekozen is voor eventuele reparatiewetgeving achteraf.
Als compartimentering bij wetswijziging te moeilijk is voor de wetswijziger, dan kan de rechter die wetgevende taak niet overnemen. Het vertrouwen van de tweede Staatsmacht in de uitmuntende bekwaamheden van de derde is loffelijk, maar kan mijns inziens niet uitgelegd worden aan de baron de la Brède et de Montesqieu. Het ontwerpen van overgangswetgeving die de regering in plaats van onmiddellijke werking wenst maar zelf niet in staat is te ontwerpen, hoort niet bij de rechter thuis.”
Daar komt bij dat de praktische moeilijkheden voor de rechter niet te overzien zijn.”
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de aanslag VPB 2016 tot nihil;
- stelt het verlies voor het jaar 2016 vast op een bedrag van € 4.680.959;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 345 aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.865.