Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 10 juni 2021 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder
[derde-partij]gevestigd te [plaats] ,
Rechtbank Noord-Nederland
Eiseres verzocht de Sociale Verzekeringsbank (Svb) om terug te komen op een eerder besluit uit 2018 waarin werd vastgesteld dat de Nederlandse socialezekerheidswetgeving op haar van toepassing is voor de periode 2013. De Svb wees dit verzoek af omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren die een herziening rechtvaardigden, zoals voorgeschreven in artikel 4:6 Awb Pro.
De rechtbank behandelde het beroep op 9 april 2021 en oordeelde dat de door eiseres aangevoerde stukken, waaronder e-mails, een vaartijdenboek en een brief van de Belastingdienst, geen nieuwe feiten vormden omdat deze al bekend waren of aangevoerd hadden kunnen worden bij het eerdere besluit. Ook het argument dat de Svb zelfstandig onderzoek had moeten doen werd verworpen.
De rechtbank stelde vast dat het bestreden besluit niet evident onredelijk was en dat de Svb zorgvuldig en deugdelijk had gemotiveerd waarom het verzoek werd afgewezen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, waardoor het bestreden besluit in stand bleef. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.