Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 10 juni 2021 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder
[derde-partij], gevestigd te [plaats] ,
Rechtbank Noord-Nederland
Eiser verzocht om herziening van een besluit van 20 maart 2018 waarbij de Nederlandse socialezekerheidswetgeving op hem werd toegepast over de periode 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013. Dit verzoek werd door verweerder afgewezen omdat er geen sprake was van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zoals vereist in artikel 4:6 van Pro de Awb.
De rechtbank behandelde het beroep en oordeelde dat de door eiser aangevoerde stukken, waaronder e-mails, een vaartijdenboek en een brief van de Belastingdienst, geen nieuwe feiten of omstandigheden vormden omdat deze al bekend waren of aangevoerd hadden kunnen worden in eerdere procedures. Ook de stelling dat verweerder zelfstandig onderzoek had moeten doen werd niet als nieuw feit erkend.
De rechtbank concludeerde dat de afwijzing van het herzieningsverzoek zorgvuldig en gemotiveerd was en niet evident onredelijk. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, waardoor het bestreden besluit in stand bleef. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het herzieningsverzoek is ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.