Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 10 juni 2021 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder
[derde-partij], gevestigd te [plaats] ,
Rechtbank Noord-Nederland
Eiser, een Nederlandse kapitein werkzaam op een Rijnvaartschip met Nederlandse eigenaar en exploitant, betwistte de toepassing van de Nederlandse socialezekerheidswetgeving over de periode mei 2016 tot augustus 2018. Verweerder had op basis van vaartijdenboeken vastgesteld dat eiser een substantieel deel van zijn werkzaamheden in Nederland verrichtte, ondanks dat hij ook in België en Duitsland werkte.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de Nederlandse wetgeving toepaste, gebruikmakend van de aanwijsregels uit Verordening (EG) nr. 883/2004 en nr. 987/2009, en de Rijnvarendenovereenkomst. De berekening van de werktijd aan de hand van vaar- en ligtijden is volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep toegestaan, ook als rusttijden daarin zijn inbegrepen.
Hoewel het percentage werktijd in Nederland in 2017 net onder de indicatieve 25% lag, werd dit gecompenseerd door overige omstandigheden zoals woonplaats van eiser en registratie van het schip. Eiser slaagde er niet in aannemelijk te maken dat de exploitatie van het schip niet door de eigenaar plaatsvond of dat de berekeningen onjuist waren. Het beroep werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de Nederlandse socialezekerheidswetgeving blijft van toepassing.