ECLI:NL:RBNNE:2021:5655

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
17 september 2021
Publicatiedatum
25 maart 2022
Zaaknummer
C18/207879 / PR RK 21-269
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 6 EVRMArt. 798 e.v. Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot wraking kinderrechter afgewezen wegens ontbreken belanghebbende hoedanigheid

In deze zaak diende de stiefvader van een minderjarige een wrakingsverzoek in tegen de kinderrechter die belast was met de verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de dochter van zijn partner. Hij stelde dat hij ten onrechte niet als belanghebbende was aangemerkt en betoogde dat de rechter partijdig was door hem niet als zodanig te erkennen.

De rechtbank overwoog dat het wrakingsverzoek beoordeeld moet worden aan de hand van artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en artikel 6 EVRM Pro. Daarbij is van belang of verzoeker als partij of belanghebbende kan worden aangemerkt. De stiefvader heeft geen gezag over de minderjarige en is volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad geen belanghebbende in een ondertoezichtstelling.

De rechtbank concludeerde dat verzoeker niet-ontvankelijk is in zijn wrakingsverzoek omdat alleen partijen en belanghebbenden bevoegd zijn tot wraking. Een ander wiens verklaring van betekenis kan zijn, heeft die bevoegdheid niet. De hoofdzaak wordt voortgezet zoals die stond bij het indienen van het wrakingsverzoek. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken door de meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Nederland.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek van de stiefvader werd niet-ontvankelijk verklaard omdat hij geen belanghebbende was.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Meervoudige kamer
Zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer: C/17/179480 / FJ RK 21-674
Rekestnummer: C18/207879 / PR RK 21-269
Beslissing van 17 september 2021
op het verzoek van
dhr. [verzoeker],
verzoeker.

1.De procedure

1.1
Bij de afdeling privaatrecht van deze rechtbank, locatie Leeuwarden, is op 7 september 2021 een kinderrechter zitting aanhangig, te weten de behandeling van de zaak met nummer C/17/179480 / FJ RK 21-674, kort gezegd, een verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de dochter van de partner van verzoeker.
1.2
Uit het proces-verbaal van de zitting van de kinderrechter is het door verzoeker op die zitting mondeling gedane wrakingsverzoek opgenomen.

2.Het standpunt van verzoeker

2.1
Het verzoek strekt tot wraking van mr. A. de Jong, kinderrechter, die belast is met de behandeling van de zaak met nummer C/17/179480 / FJ RK 21-674. Verzoeker is de stiefvader van de minderjarige, maar heeft over haar geen gezag.
2.2
Ter onderbouwing van het wrakingsverzoek heeft verzoeker (blijkens het proces-verbaal van de zitting d.d. 7 september 2021) aangevoerd dat hij ten onrechte niet als belanghebbende is aangemerkt. Verzoeker heeft daarop de kinderrechter mr. A. de Jong gewraakt wegens partijdigheid, omdat hij niet als belanghebbende is aangemerkt en is gevraagd de zittingszaal te verlaten.

3.Het standpunt van mr. A. de Jong

3.1
De kinderrechter berust niet in het verzoek tot wraking en heeft haar standpunten ten aanzien van het wrakingsverzoek kenbaar gemaakt per e-mails van 7 september 2021.
3.2
Zij heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verzoeker niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat hij in de bodemzaak niet is aangemerkt als partij of belanghebbende. Subsidiair heeft de kinderrechter zich op het standpunt gesteld dat het verzoek ongegrond is, omdat wraking niet is bedoeld om op te komen tegen een onwelgevallige procesbeslissing.

4.Beoordeling

4.1
De wrakingskamer overweegt dat voor de beoordeling van wrakingsverzoeken de toepasselijke norm is gegeven in artikel 36 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens daaromtrent ontwikkelde criteria.
4.2
Artikel 36 Rv Pro bepaalt dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
4.3
De wrakingskamer staat allereerst voor de vraag of verzoeker kan worden aangemerkt als een “partij” die bevoegd is om een wrakingsverzoek te doen. Volgens de kinderrechter is verzoeker een ouder zonder gezag.
4.4
Naar het oordeel van de wrakingskamer gaat het hier om een familierechtelijke verzoekschriftprocedure als bedoeld in de artikel 798 e.v. Rv. Uit de van toepassing zijnde artikelen volgt dat naast de verzoekende partij aan zo’n procedure kan worden deelgenomen door ‘belanghebbenden’ en ‘anderen wier verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekening kan zijn’. Alleen aan belanghebbenden komen allerlei processuele rechten toe, zoals het recht om alle processtukken te ontvangen, om een verweerschrift in te dienen en om hoger beroep in te stellen.
4.4
De Hoge Raad heeft bij een uitspraak van 12 september 2014 (ECLI:NL:HR:2014:2665) bepaald dat een niet met gezag beklede ouder geen ‘belanghebbende’ is als het gaat om een ondertoezichtstelling.
4.5
De wrakingskamer is van oordeel dat verzoeker op de zitting van 7 september 2021 geen ‘belanghebbende’ was, nu hij noch ouder is noch met gezag bekleed.
4.6
De wrakingskamer overweegt vervolgens of ‘een anders wiens verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn’ – los van de vraag of verzoeker als zodanig kan worden aangemerkt – bevoegd is om een verzoek tot wraking als bedoeld in artikel 36 Rv Pro te doen.
4.7
Uit de Memorie van Toelichting op het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (
Kamerstukken28 655, nr. 3) blijkt dat de definitie van ‘partijen’ is:
“6.4. Partijen
Waar dit begrip in de eerste titel wordt gebruikt, moet het ruim worden uitgelegd. Behalve eiser en gedaagde – en eventuele derden-partijen – in de dagvaardingsprocedure, zijn daaronder eveneens begrepen verzoeker en belanghebbenden in de verzoekschriftprocedure.
4.8
De wrakingskamer concludeert hieruit, conform de beslissing van de wrakingskamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant d.d. 12 mei 2015 (ECLI:NL:RBZWB:2015:4011), dat in een verzoekschriftprocedure als de onderhavige bodemzaak de bevoegdheid om een rechter te wraken toekomt aan de verzoekende partij en aan een belanghebbende, maar niet aan ‘een ander wiens verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn’, voor zover verzoeker al als zodanig kan worden aangemerkt in de onderhavige bodemzaak.
4.9
Gelet op voorgaande overwegingen moet verzoeker kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn verzoek tot wraking van de kinderrechter. Een mondelinge behandeling van het verzoek tot wraking kan daarom achterwege blijven.

5.De beslissing

De rechtbank
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek;
- bepaalt dat de hoofdzaak (met registratienummer C/17/179480 / FJ RK 21-674) wordt voortgezet in de stand waarin het zich ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking, bevond;
- beveelt onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoeker, mr. A. de Jong (kinderrechter) en partijen Regiecentrum Bescherming en Veiligheid met [naam] als vertegenwoordiger en [naam] , en [naam] (belanghebbende, tevens moeder van de minderjarige).
Deze beschikking is gegeven door mr. M. Brinksma, voorzitter, mr. W.S. Sikkema en
mr. C.W. Couperus-Van Kooten en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2021.